De tarieven en heffingskortingen in de inkomstenbelasting zien er als volgt uit.
| |
2027 |
2026 |
| Tarief schijf 1 |
36,23% |
35,75% |
| Tarief schijf 2 |
38,16% |
37,56% |
| Tarief schijf 3 |
49,5% |
49,5% |
| Grens schijf 1 |
€ 39.247 |
€ 38.883 |
| Grens schijf 2 |
€ 78.426 |
€ 78.426 |
| Algemene heffingskorting, maximaal |
€ 3.154 |
€ 3.115 |
| Arbeidskorting, maximaal |
€ 5.929 |
€ 5.685 |
| IACK, maximaal |
€ 2.918 |
€ 3.032 |
| Jonggehandicaptenkorting |
€ 935 |
€ 923 |
| Zelfstandigenaftrek |
€ 900 |
€ 1.200 |
| Startersaftrek |
€ 10 |
€ 2.123 |
| Stakingsaftrek |
€ 908 |
€ 3.630 |
| Mkb-winstvrijstelling |
12,7% |
12,7% |
* Voor mensen die geboren zijn voor 1 januari 1946 geldt een hogere bovengrens van schijf 1 van € 41.637.
Vrijheidsbijdrage
De wettelijke inflatiecorrectie vindt jaarlijks plaats door toepassing van de zogenoemde tabelcorrectiefactor. Het kabinet stelt voor dat burgers en (in beperkte mate) bedrijven de vrijheidsbijdrage leveren in de vorm van een beperking van de toepassing van de wettelijke inflatiecorrectie. De tabelcorrectiefactor wordt beperkt toegepast in de inkomsten- en loonbelasting voor 2027 en 2028. Normaal zou de inflatiecorrectie 2,6% bedragen (factor 1,026) in 2027, maar nu wordt slechts 48% toegepast (factor 1,01248). Daardoor stijgen tariefschijven, heffingskortingen en enkele andere bedragen minder sterk.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2026
Specifieke zorgkosten
De regeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten zal worden afgeschaft per 2028. Er komt geen overgangsrecht voor negatieve persoonsgebonden aftrek die samenhangt met de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Dit betekent dat een teruggave of nagekomen betaling, die na 1 januari 2028 wordt ontvangen voor eerder afgetrokken zorgkosten, niet meer leidt tot een negatieve persoonsgebonden aftrek.
Aftoppingsgrens pensioen
Sinds 1 januari 2015 is het inkomen, waarover aanvullend pensioen of een lijfrente kan worden opgebouwd, gemaximeerd. De zogenoemde aftoppingsgrens wordt jaarlijks geïndexeerd. In 2026 bedraagt de aftoppingsgrens € 137.800. In 2025 en 2026 is de aftoppingsgrens niet geïndexeerd. Voorgesteld wordt om ook in de jaren 2027 tot en met 2032 geen indexatie toe te passen op de aftoppingsgrens.
Verkrijgingsprijs bij zetelverplaatsing
Als de werkelijke leiding van een vennootschap wordt verplaatst naar Nederland (zetelverplaatsing), ontstaat voor de in het buitenland woonachtige aanmerkelijkbelanghouder een buitenlandse belastingplicht voor de inkomstenbelasting. Dit leidt ertoe dat over reguliere voordelen en over vervreemdingsvoordelen in Nederland inkomstenbelasting in box 2 is verschuldigd.
Op basis van de huidige wettekst kan het standpunt ingenomen worden dat de verkrijgingsprijs vastgesteld moet worden op de (historische) tegenprestatie bij verkrijging van het aanmerkelijk belang. Om dit te voorkomen wordt voorgesteld om de verkrijgingsprijs bij zetelverplaatsing vast te stellen op de waarde in het economische verkeer van het aanmerkelijk belang op dat moment. Hierdoor wordt alleen een waardestijging of een waardedaling die plaatsvindt na de zetelverplaatsing tot het inkomen uit box 2 gerekend.
Vererfd ab en fictief regulier voordeel
Bij een vererfd aanmerkelijk belang kan onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van een faciliteit waardoor reguliere voordelen die binnen 24 maanden na overlijden worden ontvangen, niet direct in box 2 worden belast. Deze faciliteit kan ongewenst uitpakken bij een fictief regulier voordeel uit de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap. Voorgesteld wordt dat de faciliteit voor een vererfd aanmerkelijk belang niet kan worden toegepast op dit fictieve voordeel. Bovendien voorkomt de maatregel dubbele heffing. Zonder uitsluiting kan het maximumbedrag van € 500.000 niet worden verhoogd, waardoor bij een ongewijzigde schuld in een volgend jaar opnieuw een fictief regulier voordeel ontstaat.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2026
Afschaffen startersaftrek
De startersaftrek is een regeling in de inkomstenbelasting waardoor een ondernemer, die minder dan vijf jaar ondernemer is (starter), onder voorwaarden maximaal drie jaar recht heeft op een extra aftrekpost van maximaal € 2.123. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd tot € 10 en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. In het verlengde hiervan wordt in 2028 ook de regeling willekeurige afschrijving starters afgeschaft.
Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid
Verder wordt voorgesteld om per 1 januari 2029 de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid af te schaffen. De regeling is bedoeld voor ondernemers die niet aan het urencriterium van 1.225 uur voldoen, maar wel aan het verlaagde urencriterium van 800 uur. Op dit moment is de aftrek in het eerste jaar maximaal € 12.000, in het tweede jaar maximaal € 8.000 en in het derde jaar maximaal € 4.000.
Versoberen en afschaffen meewerk- en stakingsaftrek
Naar verwachting worden per 2027 de meewerkaftrek en stakingsaftrek eerst met 75% versoberd en per 2030 afgeschaft. De meewerkaftrek is een regeling waardoor IB-ondernemers, van wie de partner onbetaald in de onderneming meewerkt, minder belasting over hun winst hoeven te betalen. De hoogte van de meewerkaftrek is gekoppeld aan het aantal door de partner gewerkte uren. De stakingsaftrek zorgt ervoor dat IB-ondernemers, die stoppen met hun onderneming, over een deel van de daarbij behaalde winst geen belasting hoeven te betalen. De stakingsaftrek bedraagt op dit moment € 3.630. Dat wordt € 908 in 2027.
Verhogen aftrekpercentage EIA
Het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. Hiermee wordt het financieel aantrekkelijker voor bedrijven om investeringen te doen in energiebesparende maatregelen of duurzame energie. Hiermee probeert het kabinet om de verduurzaming te versterken en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen.
Afschaffen bosbouwvrijstelling
De bosbouwvrijstelling is een regeling die de voordelen uit bosbedrijf vrijstelt van inkomsten- resp. vennootschapsbelasting. Het kabinet stelt voor de bosbouwvrijstelling per 1 januari 2029 af te schaffen, zonder enige vorm van overgangsrecht.
Doelstelling van de bosbouwvrijstelling is het bevorderen van het behoud en de aanleg van bossen door bosbedrijven. De bosbouwvrijstelling is volgens recent onderzoek niet doeltreffend en niet doelmatig. Bosbouwbedrijven zijn niet of weinig winstgevend. Het gebruik van de vrijstelling door bosbouwbedrijven is daarom beperkt. Vooral niet-bosbouwbedrijven met een beperkt bosbezit maken gebruik van de regeling. Afschaffing maakt het belastingstelsel eenvoudiger Een deel van de opbrengst van het afschaffen van de bosbouwvrijstelling zal worden besteed aan natuurbeleid via de begroting van het Ministerie van LVVN.
MKB-forfait innovatiebox
De vennootschapsbelasting kent een forfaitaire regeling om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het midden- en kleinbedrijf (mkb). Als voor deze regeling wordt geopteerd, wordt 25% van de winst aangemerkt als het saldo van voordelen uit hoofde van de immateriële activa en in de innovatiebox belast. Er geldt een maximum van € 25.000 per jaar en per belastingplichtige. Omdat de winst uit een immaterieel activum zich meestal niet in één jaar voordoet, is ervoor gekozen deze te verdelen over het jaar waarin het immateriële activum ontstaat en de twee daaropvolgende jaren.
Het kabinet stelt voor om deze forfaitaire regeling per 1 januari 2027 te verruimen door het maximumbedrag te verhogen naar € 100.000.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2026
Youngtimerregeling
Het kabinet bouwt de youngtimerregeling geleidelijker af, zodat autobedrijven en ondernemers minder abrupt geraakt worden door stijgende kosten. Deze leeftijdsgrens gaat in 2027 van 16 naar 17 jaar. Per 2028 geldt voor elke auto dat de youngtimerregeling pas kan worden toegepast als de leeftijdsgrens van 20 jaar is overschreden. Dat leidt dus tot het wegvallen van de youngtimerregeling voor auto’s die in 2027 de leeftijdsgrens van 17, 18 of 19 jaar hebben overschreden, maar nog niet de leeftijdsgrens van 20 jaar. De eerdere verhoging van de leeftijd van auto’s in de youngtimerregeling naar 25 jaar gaat niet door.
Tijdelijke verlaging motorrijtuigenbelasting voor bestel- en vrachtauto’s
Vooruitlopend op wetgeving is bij beleidsbesluit per 1 juli 2026 een tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting (mrb) ingevoerd voor bestel- en vrachtauto’s. Voor bestelauto’s van ondernemers is het tarief van de mrb gehalveerd. Het tarief van de mrb voor vrachtauto’s is tijdelijk op nihil gesteld. De aanpassingen gelden voor de periode van 1 juli tot en met 31 december 2026. Het Belastingplan 2027 bevat de wettelijke grondslag voor de in het beleidsbesluit opgenomen goedkeuring. De wetsartikelen, waarin de tariefverlagingen zijn opgenomen, werken terug tot en met 1 juli 2026. Met ingang van 1 januari 2027 gelden de normale wettelijke regelingen weer.
Tijdelijk verlagen vrachtwagenheffing
De vrachtwagenheffing is op 1 juli 2026 gestart. De hoogte van de vrachtwagenheffing is afhankelijk van het voor de betreffende vrachtwagen geldende tarief en het aantal kilometers dat met de vrachtwagen op heffingsplichtige wegen wordt gereden. De tarieven en heffingsplichtige wegen zijn vastgelegd in de Wet vrachtwagenheffing. Van 1 september tot en met 31 december 2026 geldt een verlaging van de tarieven met 22,3%. Die verlaging is opgenomen in een goedkeurend beleidsbesluit, vooruitlopend op wetgeving. De tijdelijke wijziging van de tarieven is opgenomen in het BP 2027 om te voorzien in de vereiste wettelijke grondslag.
Pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s
De pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (pefa) treedt op 1 januari 2027 in werking, zoals vastgelegd in het Belastingplan 2026. Deze heffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde van de fossiele personenauto. Werkgevers betalen de heffing als zij zo'n auto ook voor privégebruik aan werknemers beschikbaar stellen. Woon-werkverkeer valt hier ook onder. Het kabinet stelt nu enkele aanpassingen voor om problemen die zijn opgemerkt te verminderen.
Vervangend vervoer bij onderhoud en reparatie
De pefa is niet van toepassing op een vervangende fossiele personenauto die een werknemer privé gebruikt vanwege onderhoud of reparatie van de vaste auto. Deze uitzondering geldt als de vervangingsperiode maximaal veertien dagen per onderhouds- of reparatieperiode duurt. Een bandenwissel of schadeherstel valt hier ook onder. Wordt de termijn van veertien dagen overschreden, dan is de pefa vanaf de vijftiende dag dat de vervangende auto ter beschikking is gesteld verschuldigd. De pefa geldt dan voor de gehele kalendermaand waarin de vijftiende dag valt. De uitzondering geldt niet wanneer de vaste auto niet voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, maar de vervangende auto juist wel voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld.
Uitzondering voor lesauto’s
Voertuigen zonder CO₂-uitstoot hebben doorgaans een automatische transmissie. Daarom worden auto’s met handgeschakelde transmissie, die worden gebruikt voor rijles, uitgezonderd van de pefa. Deze maatregel voorkomt dat het aanbieden van handgeschakelde lesauto’s wordt ontmoedigd, wat de rijvaardigheid van nieuwe automobilisten kan beperken.
Termijn overgangsrecht
Het overgangsrecht voor auto’s die vóór 1 januari 2027 voor het eerst ter beschikking zijn gesteld, wordt verlengd tot en met 31 december 2030 (was 16 september). Dit voorkomt administratieve lasten door een einde halverwege een maand of jaar. De verlenging sluit ook beter aan bij de regeling privégebruik auto, die ook per kalenderjaar is.
Incidentele terbeschikkingstelling
Ook komt er een nieuwe uitzondering voor tijdelijk gebruik van auto's, zoals huur- of deelauto’s. Een werkgever mag per kalenderjaar één keer een fossiele personenauto maximaal zeven aaneengesloten dagen privé beschikbaar stellen zonder de heffing te betalen. Dit geldt per fossiele auto per werkgever en per kalenderjaar. Als dezelfde auto in hetzelfde jaar aan een andere werknemer of voor een tweede periode privé wordt gebruikt, geldt de uitzondering niet. De werkgever betaalt dan de heffing over de betreffende maanden. Deze uitzondering stopt op 31 december 2030.
Anticumulatiebepaling
Er wordt een anticumulatiebepaling in de wet opgenomen om te voorkomen dat de pefa samenloopt met de pseudo-eindheffing voor hoge vertrekvergoedingen. Dit betekent dat het bedrag van de pseudo-eindheffing voor te hoge vertrekvergoedingen wordt berekend zonder het voordeel van de fossiele auto mee te tellen. Zo wordt dubbele belasting over hetzelfde bedrag voorkomen.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2026
Onbelaste reiskostenvergoeding naar € 0,25
De gerichte vrijstelling voor reiskosten wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25. In navolging van deze verhoging worden ook het forfait voor aftrekbare reiskosten voor IB-ondernemers en resultaatgenieters en het forfait voor reiskosten bij specifieke zorgkosten bij ziekenbezoek, weekenduitgaven voor gehandicapten en het forfait voor de giftenaftrek voor de situatie waarin een vrijwilliger afziet van een reiskostenvergoeding verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer.
Afschaffen vrijstelling eigen producten WKR
Voorgesteld wordt om de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten af te schaffen. Deze vrijstelling gold sinds 2015. Werkgevers konden sindsdien een korting geven tot een bedrag van ten hoogste 20%, maar niet meer dan € 500 per werknemer per kalenderjaar op producten uit het eigen bedrijf. Denk hierbij aan personeelskorting op boodschappen, kleding, elektronica, gezinsabonnementen, vliegtickets, hypotheekadvies of verzekeringspremies. Werkgevers kunnen vanaf 2027 nog wel personeelskorting blijven geven, maar deze korting moeten zij dan ten laste van de vrije ruimte van de werkkostenregeling brengen. Het is niet langer nodig om bij te houden hoeveel korting er per werknemer is gegeven.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2026
Tarief sierteelt en ballonvaarten
Sierteeltproducten zijn onder meer bloembollen, bloemen, planten en boomkwekerijproducten zoals kerstbomen. Het verlaagde btw-tarief van 9% op deze producten wordt afgeschaft. Vanaf 1 januari 2028 geldt het algemene btw-tarief van 21% voor sierteeltproducten. Vanaf die datum geldt ook voor ballonvaarten het algemene tarief. Omdat er in deze sector gewerkt wordt met vooruitbetalingen, wordt met een overgangsbepaling geregeld dat het btw-tarief geldt van het moment waarop de prestatie wordt verricht. Wordt een ballonvaart dus vooruitbetaald in 2027, maar vindt deze plaats in 2028, dan is het algemene btw-tarief verschuldigd.
Verlengen accijnskorting voor ongelode benzine
De accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPG zijn sinds 1 april 2022 verlaagd. Per 1 juli 2023 is de verlaging gedeeltelijk teruggedraaid. Het kabinet stelt voor om de accijnskorting voor ongelode benzine te verlengen tot 1 januari 2028. Het accijnstarief voor ongelode benzine wordt iets verhoogd, maar niet geïndexeerd, waardoor de accijnskorting voor 2027 de facto ruimer wordt.
| Accijnstarief |
2027 |
2026 |
| In basispad |
€ 1,02812 |
€ 1,00207 |
| Accijnskorting |
€ 0,17643 |
€ 0,15738 |
| Accijnstarief |
€ 0,85169 |
€ 0,84469 |
Indexatie alcoholaccijns
In tegenstelling tot andere accijnzen kent de alcoholaccijns momenteel geen indexatiesystematiek. Hierdoor neemt de hoogte daarvan relatief af bij inflatie. Voorgesteld wordt dat de hoogte van de accijns jaarlijks automatisch wordt aangepast aan de inflatie, zodat de reële hoogte van de tarieven gelijk blijft.
Afschaffen kleine brouwersregeling
Over bier van kleine brouwerijen wordt een lager accijnstarief geheven dan over bier van grote brouwerijen. Kleine brouwerijen (< 200.000 hl) krijgen een accijnskorting van 7,5%. Dit scheelt, afhankelijk van het alcoholpercentage, één tot twee cent per glas. Het kabinet stelt voor om dit verlaagde accijnstarief per 2028 af te schaffen, zodat ook bij kleine brouwerijen het reguliere accijnstarief wordt geheven.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2026
Verlaging algemeen woningtarief overdrachtsbelasting van 8% naar 7%
Het tarief van de overdrachtsbelasting voor zogenaamde niet-hoofdverblijfwoningen, zoals woningen die investeerders kopen voor de verhuur, wordt verlaagd van 8% naar 7%. Deze verlaging moet het investeringsklimaat op de huurmarkt verbeteren en het aanbod van huurwoningen stimuleren. De startersvrijstelling en de overige tarieven, zoals het verlaagde tarief van 2% voor hoofdverblijfwoningen, veranderen niet.
Nieuwe vrijstelling overdrachtsbelasting voor woningcorporaties
In de overdrachtsbelasting geldt onder voorwaarden een vrijstelling bij een taakoverdracht tussen twee algemeen nut beogende instellingen (ANBI). Woningcorporaties kunnen een ANBI zijn als zij aan de voorwaarden voldoen. Deze vrijstelling heeft een aantal voorwaarden, die het voor woningcorporaties lastig maken om huurwoningen aan elkaar over te dragen zonder de heffing van overdrachtsbelasting. Zo geldt de vrijstelling niet bij de overdracht van losse onroerende zaken. Om die reden wordt een nieuwe vrijstelling voorgesteld voor overdrachten van onroerende zaken tussen woningcorporaties onderling. Het gaat daarbij alleen om onroerende zaken die woningcorporaties nodig hebben voor diensten van algemeen economisch belang. Andere onroerende zaken vallen niet onder de nieuwe vrijstelling. De vrijstelling voor taakoverdracht is niet langer van toepassing wanneer bij een taakoverdracht een koopsom wordt bedongen. Daarmee wordt voorkomen dat woningcorporaties in voorkomende gevallen een beroep op twee vrijstellingen kunnen doen.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2026
Verhoging tarief belasting op leidingwater
Met de belasting op leidingwater wordt er belasting geheven over de levering van leidingwater, al dan niet van drinkwaterkwaliteit. De belasting is tot nu toe beperkt tot de eerste 50.000 m³ leidingwater per jaar per aansluiting. In het BP 2026 is geregeld dat het heffingsplafond per 1 januari 2027 vervalt en is de belastinggrondslag versmald naar water van drinkwaterkwaliteit. De belasting op leidingwater per 2027 wordt verhoogd met 10 cent per m³ van € 0,437 naar € 0,537 (prijspeil 2026). Het tarief wordt jaarlijks geïndexeerd.
Verlaging hoge tarief vliegbelasting
Per 1 januari 2027 wordt het tarief van de vliegbelasting gedifferentieerd naar afstand, gebaseerd op de eindbestemming van de passagier. Er gelden drie tarieven:
- laag tarief: € 31,04 per passagier;
- middentarief: € 49,87 per passagier; en
- hoog tarief: € 74,81 per passagier.
Duitsland heeft er recent voor gekozen de tarieven van de Duitse vliegbelasting per 1 juli 2026 te verlagen. Hierdoor zijn de tarieven in Duitsland lager dan de Nederlandse tarieven per 2027. Het kabinet stelt nu voor het hoge tarief in Nederland te verlagen tot het niveau van het hoge tarief van de Duitse vliegbelasting. Dat komt neer op een bedrag van € 59,43 (prijspeil 2027). Dit tarief geldt voor bestemmingen zoals de Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Indonesië. Deze verlaging veroorzaakt een structurele budgettaire derving van € 61 mln. vanaf 2027.
Definitie eindbestemming vliegbelasting
De voorgestelde aanpassing maakt het mogelijk dat, wanneer er geen vervoersovereenkomst is (zoals bij privévluchten), de eindbestemming van een passagier ook met een ander passend bewijsstuk kan worden aangetoond, zodat in deze gevallen niet automatisch het hoogste tarief hoeft te worden toegepast.
Wijziging verlaagd energiebelastingtarief glastuinbouw
Het kabinet wil per 1 januari 2027 voor energieleveranciers een verplichting invoeren om een bepaalde hoeveelheid groen gas te leveren aan eindgebruikers in Nederland. Het betreft de afnemers, die binnen de afbakening van het tweede emissiehandelssysteem (ETS2) vallen. De bijmengverplichting groen gas gaat ook voor de glastuinbouwsector gelden. De meerprijs van groen gas leidt tot extra financiële lasten voor tuinbouwbedrijven. Daarom is afgesproken dat de glastuinbouw via aanpassing van de verlaagde energiebelastingtarieven tot en met 2030 wordt gecompenseerd voor de meerprijs van groen gas. Na 2030 loopt de compensatie stapsgewijs af.
Het kabinet heeft ervoor gekozen om enkel de meerkosten van de bijmengverplichting groen gas voor 2027 te compenseren via de energiebelasting. In het voorjaar van 2027 neemt het kabinet een besluit over de vorm van compensatie voor de bijmengverplichting in de periode na 2027. De compensatie in de energiebelasting in 2027 vindt alleen doorgang als de bijmengverplichting groen gas per 1 januari 2027 in werking treedt. Voor 2027 gaat het kabinet uit van een maximale meerprijs van groen gas van 1,5 cent per m3 aardgas. Naast verlaging van de energiebelastingtarieven in de schijven, waarvoor al een verlaagd energiebelastingtarief geldt (tot 1 miljoen m3 aardgas), wordt het verlaagde energiebelastingtarief voor de glastuinbouw in 2027 uitgebreid naar de derde schijf voor de glastuinbouw tot 10 miljoen m3 aardgas.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2026
Minder regels
‘Meer ruimte voor mensen en bedrijven, en een overheid die niet hindert, maar helpt.’ Het kabinet beseft dat dit geen origineel voornemen is, maar de aanpak moet deze keer merkbaar resultaat opleveren. Een eerste stap is: zelfbeheersing in het maken van nieuwe regels. De tweede stap is: minder regels. Het doel is dat per jaar minimaal vijfhonderd regels verdwijnen of eenvoudiger worden. Ieder jaar, te beginnen dit najaar, dient het kabinet een Vereenvoudigingswet in, gericht op het afschaffen van overbodige regels en wetten.
Verduidelijking belastingplichtige CO₂-heffing glastuinbouw
Er wordt voorgesteld de belastingplichtige voor de CO₂-heffing glastuinbouw te verduidelijken. De belastingplichtige is op dit moment de ‘rechtspersoon of natuurlijke persoon die het glastuinbouwbedrijf’ drijft. Dit wekt de indruk dat bij personenvennootschappen (zoals maatschap en vof) de achterliggende participanten belastingplichtig zijn. Het voorstel is om duidelijker te omschrijven dat de belastingplicht rust op eenieder die het glastuinbouwbedrijf drijft, dus het samenwerkingsverband zelf. De participanten zijn dan niet afzonderlijk belastingplichtig en er hoeft ook geen toerekening aan hen plaats te vinden.
Aanpassing fiscale behandeling ingeprijsd valutaresultaat
Het kabinet stelt voor om de fiscale behandeling van het afdekken van valutarisico’s, die worden gelopen met een deelneming, aan te passen. Het voordeel dat wordt behaald met een instrument dat het valutarisico op een deelneming in vreemde valuta afdekt, valt op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling. Het ingeprijsde valutaresultaat is het verwachte valutaresultaat, gelet op de relatieve zwakte of sterkte van de betreffende valuta in vergelijking met de euro. Met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027 behoort alleen het niet-ingeprijsde valutaresultaat op een afdekkingsinstrument tot de voordelen uit hoofde van de deelneming. De aanpassing dient ter dekking van de structurele derving van belastingopbrengst, die het gevolg is van een arrest uit 2025 over de toepassing van de liquidatieverliesregeling. Voor bestaande afdekkingsinstrumenten wijzigt door het overgangsrecht de fiscale behandeling van ingeprijsde valutaresultaten niet.
Veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024
Er worden veiligehavenregels toegevoegd aan Wet minimumbelasting 2024. Met terugwerkende kracht vanaf 2026. Dit geldt voor bedrijven met een omzet van € 750 miljoen of meer. Hiermee worden vier nieuwe internationale afspraken uit de OESO opgenomen in de wetgeving. Deze regels beogen administratieve lastenvermindering en voorkomen eventuele Nederlandse bijheffingen.
Bron: Ministerie van Financiën | 14-09-2026
Start-ups en scale-ups hebben vaak niet de financiële middelen om werknemers een concurrerend salaris te bieden. Aandelenopties kunnen hiervoor een oplossing bieden. Het voordeel uit aandelenopties is belast tegen de tarieven van box 1 van de inkomstenbelasting. Die tarieven zijn in Nederland een stuk hoger dan in andere landen.
Optierechten
Ter stimulering van start-ups en scale-ups stelt het kabinet een lagere loonheffing op het inkomen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups voor. De belastingheffing wordt uitgesteld tot het moment van verkoop van met de optierechten verkregen aandelen. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2027. De vrijstelling van deze aandelen in box 3 moet per 1 januari 2028 ingaan.
Grondslag LB
De grondslag voor de loonbelastingheffing is beperkt tot 65%, waardoor het effectieve tarief ongeveer gelijk is aan het tarief in box 2. Voorgesteld wordt om deze maatregel toe te passen op aandelenopties die door start-ups en scale-ups zijn uitgegeven sinds de bekendmaking van de fiscale regeling in de Voorjaarsnota van 2025, mits zij de loonsfeer nog niet hebben verlaten.
Voorwaarde
Voorwaarde voor toepassing van de regeling is dat het aandelenoptierecht of de bij uitoefening daarvan verkregen aandelen niet binnen twee jaar na toekenning mogen worden vervreemd. Deze voorwaarde geldt niet bij een eerdere verkoop of beursgang van de onderneming, omdat de werknemer in die situatie veelal gedwongen is zijn aandelen en optierechten te verkopen.
RVO-beschikking
RVO bepaalt bij beschikking of een onderneming kwalificeert als start-up of scale-up. Die beschikking heeft een looptijd van acht jaar en kan worden verlengd. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van de beschikking is niet langer sprake van een start-up of een scale-up. Opties of daaruit verkregen aandelen, die dan nog niet in de heffing zijn betrokken, vallen onder de bestaande regeling voor aandelenopties in de loonheffingen. De grondslagversmalling wordt naar tijdsgelang toegekend.
Emigratie
Bij emigratie van een werknemer voordat de optierechten of de aandelen in de loonheffing zijn betrokken, wordt uitgegaan van een fictieve vervreemding van de aandelen(opties). Daarvoor wordt een conserverende belastingaanslag opgelegd. Voor deze aanslag wordt uitstel van betaling verleend.
Samenloop met lucratiefbelangregeling
Aandelen of optierechten, die als lucratief belang kwalificeren, vallen niet onder deze regeling, ook niet als zij betrekking hebben op een start-up of scale-up.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2026
Een holding trekt ruim € 2 miljoen aan managementkosten af. Deze zijn gefactureerd door een buitenlandse vennootschap, geleid door de bestuurder van de holding. De factuur dateert van maart 2020, bestrijkt 2017 tot en met 2022 en wordt nooit betaald. De inspecteur schrapt de aftrek en de rente over dat bedrag.
Vijf jaar in één factuur
De vennootschap vormt met twee dochters een fiscale eenheid en verliest in juni 2020 haar enige aandeelhouder. Zijn weduwe is al sinds november 2018 bestuurder en erft de aandelen. Die bestuurder stuurt in maart 2020 via haar buitenlandse vennootschap een factuur van € 2.167.760 aan een dochter, voor het managen van een procedure tegen een bank. De specificatie beslaat 2017 tot en met 2022, dus ook werk dat nog moet gebeuren. Er wordt niets betaald. Het bedrag wordt verwerkt in de rekening-courant.
Wel verzwaard, niet omgekeerd
Over 2020 en 2021 komen de aangiften pas nadat de aanslagen er liggen. Wie de termijn uit de aanmaning laat verlopen, doet niet de vereiste aangifte. De AWR verbindt daaraan omkering en verzwaring van de bewijslast. Toch is de omkering hier niet aan de orde. Omdat alleen de kostenaftrek in geschil is en die bewijslast toch al op de vennootschap rust, valt er niets om te keren en resteert de verzwaring. Zij moet dus overtuigend aantonen dat de kosten zakelijk zijn.
Verleden, heden en toekomst
In die bewijslast slaagt de vennootschap niet. Een factuur die vijf jaar aan verleden, heden en toekomst bestrijkt, noemt de rechtbank zeer ongebruikelijk; het uitblijven van betaling versterkt de twijfel. Een schriftelijke overeenkomst over het gestelde uurtarief van $ 150 ontbreekt, net als een vastlegging van de afspraken uit februari 2020. De onkosten komen elke maand op hetzelfde bedrag uit en ontberen elke onderbouwing. De advocaten die over de inzet van de bestuurder verklaren, zien haar bovendien als bestuurder van de vennootschap zelf. Het vervallen van de aftrek heeft ook gevolgen voor de rente.
Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:21004 | 20-07-2026
Een dga verhuurt sinds 2009 een werkkamer, de garage en een kantoor in het souterrain aan zijn eigen bv, voor € 2.000 per maand. De dga wil met zijn vennootschappen één fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen, maar de inspecteur houdt hem daarbuiten. Verhuren aan de eigen werkgever is in zijn ogen geen zelfstandig ondernemerschap. De rechtbank denkt daar anders over en het hof bevestigt dat. Doorslaggevend zijn de schriftelijke huurovereenkomst en vijftien jaar betaalde huur. De dga hoort dus in de eenheid.
Een contract uit 2009
De dga bezit alle aandelen in een holding, die op haar beurt de aandelen in de bv houdt. Hij is in dienst bij de holding, die zijn loonkosten doorbelast aan de bv. In maart 2009 sluit hij met de bv een huurovereenkomst voor het exclusieve gebruik van de werkkamer, de garage en het kantoor in het souterrain. De tuin, oprit en technische ruimte gebruiken zij samen. De huur wordt elke maand voldaan, tot hij vijftien jaar later emigreert.
Deelname aan de markt
Volgens de inspecteur ontbreekt hier elke realistische marktverhouding. De ruimten horen bij de woning, de medebewoners lopen door de garage en de huurprijs dekt hooguit de kostprijs. Het hof gaat daar niet in mee. Bij een pand dat zich voor zakelijk en privégebruik leent, tellen alle omstandigheden van de exploitatie en die wijzen één kant op: vijftien jaar onafgebroken verhuur tegen een vaste vergoeding. Of die vergoeding onder de kostprijs of de marktprijs ligt, doet niet ter zake zolang dienst en betaling een reëel verband houden.
Los van de dienstbetrekking
De vraag resteert of de dga zelfstandig handelt. Sinds het arrest Van der Steen is hij voor werk uit zijn arbeidsovereenkomst geen btw-ondernemer en het gebruik van kamers in zijn woning voor die dienstbetrekking telt evenmin zelfstandig mee. Verhuur naast de dienstbetrekking kan wel ondernemerschap opleveren, mits objectieve gegevens dat bevestigen. Die zijn er: een schriftelijk contract met een omschreven huurobject en een huur die maandelijks binnenkomt. Bij die verhuur ontbreekt elke ondergeschiktheid, ook al gebruikt de bv de ruimten uitsluitend voor zijn werkzaamheden. Dat de holding de vergoeding in de loonaangifte tot het loon rekent, maakt de verhuur evenmin een uitvloeisel van de dienstbetrekking.
Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1840 | 14-07-2026
Ziektewetuitkeringen worden alleen als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking aangemerkt als deze worden genoten tijdens een bestaande dienstbetrekking. Als de dienstbetrekking is beëindigd, vormen de uitkeringen geen inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. In dat geval bestaat er geen recht op arbeidskorting.
Uitzendovereenkomst
Op 25 november 2021 sluit een man een uitzendovereenkomst (fase A). Deze overeenkomst bevat een belangrijke bepaling: de dienstbetrekking eindigt van rechtswege bij ziekmelding. In 2022 meldt de man zich ziek in week 7 en opnieuw van week 14 tot en met 52. Voor deze periodes ontvangt hij een ziektewetuitkering. In zijn aangifte 2022 geeft de man € 26.962 aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking en claimt hij een arbeidskorting van € 4.008. De inspecteur stelt de arbeidskorting vast op € 915.
Arbeidskorting
De rechtbank oordeelt dat de ziekmelding de dienstbetrekking heeft beëindigd. De ziektewetuitkering die de man in week 7 van 2022 heeft ontvangen, kan daarom niet worden gerekend tot inkomen uit een tegenwoordige dienstbetrekking. Er bestaat over dit bedrag geen recht op arbeidskorting. Wanneer de man vanaf week 8 weer arbeid verricht, is er sprake van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Dit volgt uit de contractuele bepaling dat partijen een nieuwe overeenkomst moeten sluiten als de eerdere dienstbetrekking wegens ziekte is beëindigd. Deze nieuwe dienstbetrekking eindigt vervolgens van rechtswege met de tweede ziekmelding van de man. Hierdoor kunnen ook de ziektewetuitkeringen die de man heeft ontvangen in de weken 14 tot en met 52 van 2022 niet worden gerekend tot inkomen uit een tegenwoordige dienstbetrekking. Ook over deze bedragen bestaat dus geen recht op arbeidskorting.
Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:6778 | 01-09-2026
Een afwaardering van een vordering begint niet bij de vraag of de lening zakelijk is, maar bij het dossier waaruit blijkt dat de lening bestaat. Een leningsovereenkomst, een corresponderende schuld bij de debiteur en een consequente vermelding in beide aangiften zijn geen formaliteiten, maar het bewijs zelf.
Een lening uit 2006
Een vennootschap bestaat sinds 1996 en heeft één aandeelhouder. Die aandeelhouder houdt daarnaast 50% van de aandelen in de latere debiteur, die in 2006 een voormalige slipbaan koopt. Voor die aankoop verstrekt de vennootschap naar eigen zeggen een lening. Haar jaarrekening 2017 toont per eind 2016 een vordering van € 95.397, die met bijgeschreven rente van 5% oploopt tot € 147.544. Een jaar later is die post verdwenen en loopt € 142.504 als buitengewone last door de winst-en-verliesrekening. De debiteur wordt in maart 2018 ontbonden.
Bewijslast bij de inspecteur
De inspecteur laat de last niet in aftrek toe. Hij stelt het verlies bij beschikking vast op € 116.485. Volgens hem is de vordering een onzakelijke lening, want geen derde zou dit debiteurenrisico aanvaarden. De rechtbank legt de bewijslast daarvoor bij de inspecteur en oordeelt dat de inspecteur daar niet in slaagt. Het verlies gaat conform de aangifte naar € 258.989. In hoger beroep stelt de inspecteur primair dat er geen vordering is. Dat keert de bewijspositie om.
Nergens een spoor
Wie een last opvoert, moet die zelf aannemelijk maken. De jaarrekening 2017 van de debiteur vermeldt geen corresponderende schuld. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2010 tot en met 2014 noemt geen van beide vennootschappen de lening. Ook de jaarrekening 2007 van de belastingplichtige, het jaar na de gestelde lening, toont geen vordering op de debiteur, maar alleen een deelneming en enkele kortlopende vorderingen. Dat valt niet te rijmen met een lening uit 2006 voor de slipbaan. Verdere bewijsstukken ontbreken.
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:4498 | 06-07-2026
In 2019 laat een directeur-grootaandeelhouder zijn werkmaatschappij € 116.324 uit de agioreserve op zijn privérekening storten. De inspecteur ziet daarin een verkapte uitdeling door de tussenliggende holding en legt een navorderingsaanslag op naar een verzamelinkomen van € 198.153. De aandeelhouder stelt dat hij een onbelaste terugbetaling van kapitaal bedoelt en laat de besluitvorming in 2023 alsnog repareren. Het hof oordeelt dat de wettelijke voorwaarden vóór de uitkering vervuld moeten zijn. De navordering blijft in stand.
Geld uit de agioreserve
De aandeelhouder bezit alle aandelen in een holding, die op haar beurt alle aandelen in de werkmaatschappij houdt. Op 14 oktober 2019 besluit de aandeelhoudersvergadering van de holding tot een uitkering uit de agioreserve van de werkmaatschappij. Diezelfde dag doet de werkmaatschappij aangifte dividendbelasting en kruist aan dat inhouding achterwege kan blijven. Het bedrag gaat rechtstreeks naar de privérekening van de aandeelhouder. Hij vermeldt het niet in zijn aangifte over 2019, maar geeft het in mei 2022 alsnog aan als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, waarna de inspecteur navordert.
Reparatie in 2023
In bezwaar noemt de aandeelhouder het een terugbetaling van kapitaal. In juni 2023 volgt een reeks herstelhandelingen. De werkmaatschappij zet de agioreserve om in nominaal aandelenkapitaal, vermindert dat kapitaal weer en draagt haar vordering op de aandeelhouder over aan de holding. De holding verrekent die vordering met een dividenduitkering. In augustus 2023 maakt de aandeelhouder € 116.324 over naar de werkmaatschappij en daarmee acht hij de uitdeling teruggedraaid. Hij beroept zich bovendien op dwaling.
Wanneer is het een uitdeling?
Een regulier voordeel ontstaat zodra vermogen naar de aandeelhouder verschuift met de bedoeling hem als zodanig te bevoordelen, terwijl beide partijen zich daarvan bewust zijn of hadden moeten zijn. De aandeelhouder zit de vergadering zelf voor, notuleert die en ondertekent de aangifte dividendbelasting. Bovendien geeft hij het bedrag in 2022 zelf aan.
Verkeerd jaar, verkeerd niveau
De wet IB verlangt voor een onbelaste terugbetaling dat de algemene vergadering daartoe besluit en dat de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging met hetzelfde bedrag daalt, beide vóór de uitkering. In 2019 gebeurt geen van beide. Wat in 2023 alsnog gebeurt, valt in het verkeerde jaar en op het verkeerde niveau: bij de werkmaatschappij in plaats van de uitkerende holding. Ook het beroep op dwaling helpt niet. De terugwerkende kracht van een vernietiging geldt fiscaal niet.
Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:2169 | 29-06-2026
Een man schenkt zijn zoon tweemaal € 100.000 via schuldigerkenningen, waarover hij jaarlijks 6% rente verschuldigd is. Voor zijn overlijden betaalt de man eenmaal € 7.000 rente zonder specificatie. De inspecteur stelt dat de rente niet volledig is voldaan, waardoor beide schenkingen fictieve erfrechtelijke verkrijgingen zijn.
Fictieve verkrijging en toerekening
Volgens de wet is sprake van een fictieve verkrijging als de erflater het genot van de geschonken goederen heeft behouden en niet jaarlijks minimaal 6% rente heeft betaald. Het hof oordeelt dat voor elke schuldigerkenning afzonderlijk moet worden beoordeeld of de rente tijdig en voldoende is betaald. Indien rentebetalingen niet zijn gespecificeerd en minder rente is betaald dan verschuldigd over alle schuldigerkenningen samen, moet de betaalde rente worden toegerekend aan de respectieve schuldigerkenningen.
Oudste verbintenis
Het hof oordeelt dat de betaling van € 7.000 op 2 december 2020 zoveel mogelijk moet worden toegerekend aan de oudste verbintenis, de schuldigerkenning van 2019. Voor deze schuldigerkenning is de verschuldigde rente uiteindelijk tijdig voldaan. Voor de schuldigerkenning van 2020 is een deel van de rente niet tijdig betaald, waardoor deze terecht als fictieve verkrijging in de erfbelasting is betrokken. Dat de rentebetalingen niet zijn gespecificeerd in de betalingsomschrijving staat daaraan niet in de weg.
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:5189 | 03-08-2026
Een werkgever betaalt het salaris rechtstreeks aan een werknemer. Achteraf blijkt dat de werknemer onder bewind stond en de betaling aan de bewindvoerder had moeten plaatsvinden.
Bewind en loonbetaling
Een vof exploiteert kermisattracties en heeft een werknemer in dienst. De werknemer staat sinds 2 juni 2022 onder bewind. De werknemer werkt van 1 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024 voor de vof. De vof betaalt het salaris van € 3.810,64 bruto, inclusief 8% vakantietoeslag, rechtstreeks aan de werknemer. Op 11 februari 2026 sommeert de bewindvoerder de vof om het bedrag alsnog aan haar te betalen, maar de vof betaalt niet.
Niet-bevrijdende betaling
De bewindvoerder stelt dat de vof het loon aan de verkeerde persoon heeft betaald, waardoor de betaling niet bevrijdend is. De vof verweert zich met de stelling dat zij niet wist dat de werknemer onder bewind stond en dat de werknemer zelf de bankgegevens heeft opgegeven. Het beheer over de onder bewind staande goederen komt niet aan de werknemer maar aan de bewindvoerder toe. De werknemer was niet bevoegd de betaling in ontvangst te nemen.
Openbare registers
De rechtbank oordeelt dat de betaling aan de werknemer niet bevrijdend is. De vof had kunnen weten dat de werknemer onder bewind stond, omdat het bewind is ingeschreven in de openbare registers. De vof blijft daarom verplicht het loon te betalen. De rechtbank wijst de vordering toe voor het netto-equivalent van € 3.810,64 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2026. De gevorderde wettelijke verhoging van 50% wordt afgewezen, omdat het loon wel tijdig aan de werknemer is betaald, zij het niet bevrijdend.
Bron: Rechtbank Limburg | jurisprudentie | ECLI:NL:RBLIM:2026:7667 | 28-07-2026
Vanaf 2026 kunnen particulieren met een elektrische auto onder bepaalde voorwaarden een vergoeding ontvangen voor de stroom die zij thuis via hun eigen laadpaal laden. Dit gebeurt via zogenoemde ERE-certificaten (Emissiereductie-eenheden), die aantonen dat er CO₂-uitstoot is bespaard. De vergoeding voor de ERE-certificaten wordt betaald door bedrijven die fossiele brandstoffen verkopen. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het aantal geladen kilowattuur (kWh) en de marktwaarde van de certificaten. Werknemers die hun elektrische auto van de zaak thuis opladen, kunnen voor die geladen stroom ook een vergoeding voor de ERE-certificaten krijgen. Deze vergoeding vormt geen loon in de zin van de wet.
Loon van de werkgever
De vergoeding voor ERE-certificaten vormt geen loon van de werkgever. Dit komt doordat niet wordt voldaan aan de 'verstrekkingseis' en de 'causaliteitseis' van het loonbegrip. De vergoeding is geen voordeel in opdracht of voor rekening van de werkgever en heeft onvoldoende causaal verband met de dienstbetrekking; het behoort tot de persoonlijke sfeer van de werknemer.
Een vergoeding voor de werkelijke laadkosten van de auto van de zaak valt buiten de loonsfeer als intermediaire kosten, waarbij de ERE-certificaten de integrale kostprijs per kWh drukken. Afspraken over doorlevering van energie onder zakelijke voorwaarden kunnen de vergoeding buiten beschouwing laten. Hiervoor is immers de prijs op de energiemarkt op het moment van het maken van de afspraken tussen partijen bepalend.
Loon van derden
Ook is er geen sprake van loon van derden. Hiervoor is vereist dat het voordeel een beloning is voor werkzaamheden die de werknemer in zijn hoedanigheid van werknemer heeft verricht. Het opladen van de auto van de zaak wordt niet gezien als een werkzaamheid in dienstbetrekking, maar als een handeling van de werknemer als particuliere gebruiker van het stroomnet.
Bron: Belastingdienst | publicatie | KG:204:2026:16 | 02-08-2026
Een muskusrattenvanger, sinds 1994 in dienst, staat onder toezicht vanwege lage productie en veel administratietijd. Wanneer signalen binnenkomen dat zijn dienstauto tijdens werktijd vaak bij zijn woning staat, start de werkgever een onderzoek. Black box-gegevens van de auto worden over ruim een half jaar vergeleken met de urenregistratie. Dit toont een verschil van 94 uur en 11 minuten. De werkgever concludeert 'dagdieverij' en ontslaat de werknemer op staande voet wegens urenfraude.
Op staande voet
Het hof rekent op meerdere punten af met de aanpak van de werkgever. Het ontslag is niet 'onverwijld' gegeven, omdat de werkgever maandenlang heeft getreuzeld met het uitlezen van de black box-gegevens. De black box is bovendien een verkeerd instrument. Het instrument is bedoeld voor controle van autogebruik, niet als digitale prikklok. De werkgever had de werknemer eerst moeten bevragen. Veel verwijten in de ontslagbrief betreffen disfunctioneren, waarvoor een verbetertraject passender is. Ook is geen bewuste fraude aangetoond. Het urenverschil alleen is onvoldoende, mede gezien persoonlijke en medische omstandigheden en moeite met de digitale registratie.
Fraude?
Ook het subsidiaire verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst strandt. Fraude is onvoldoende vastgesteld. Een gestelde verstoorde arbeidsverhouding met een oud-teamleider is achterhaald. De oud-teamleider is inmiddels met pensioen. Het hof ziet vooral een onvoldragen d-grond (disfunctioneren) en merkt op dat de werknemer, na een verbetertraject, weer naar behoren functioneert. Hij heeft het plezier in zijn werk teruggevonden en realiseert zich dat hij dit tot zijn pensioen wil blijven doen.
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:4034 | 17-06-2026
Een vrouw doet over 2011 geen aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur legt in 2015 een verzuimboete van € 984 op, 20% van het wettelijke maximum. Het boetebeleid schrijft sinds 2014 weliswaar nog maar 7% voor, maar het overgangsrecht verklaart die regel pas van toepassing vanaf belastingjaar 2014. De Hoge Raad zet dat overgangsrecht opzij wegens strijd met het legaliteitsbeginsel. De boete gaat naar € 344.
Aangifte blijft uit
De inspecteur nodigt de vrouw uit om aangifte te doen, herinnert haar en maant haar aan. De uiterste termijn voor de aangifte inkomstenbelasting wordt door de inspecteur op 7 mei 2014 gesteld. De aangifte blijft echter uit. Op 10 januari 2015 legt de inspecteur ambtshalve een aanslag op, met een verzuimboete. Omdat het om een tweede achtereenvolgend verzuim gaat, legt hij, overeenkomstig het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) van 2011, een boete op van 20% van het wettelijke maximum (van destijds € 4.920).
Twintig of zeven procent?
De vrouw wijst erop dat de maximale boete slechts 7% van € 4.920 (€ 344) mag bedragen. In het BBBB van 2014 is immers de regel vervallen op grond waarvan bij een tweede achtereenvolgende verzuim een verzuimboete wordt opgelegd van 20% van het maximum. De Hoge Raad overweegt dat het legaliteitsbeginsel en het beginsel van de gunstigste bepaling (volgens Europese verdragen) meebrengen dat de boete niet hoger mag zijn dan wat ten tijde van het beboetbare feit mogelijk was, of wat later gunstiger is geworden. Het overgangsrecht dat de nieuwe regeling pas vanaf belastingjaar 2014 van toepassing verklaart, moet buiten toepassing blijven wegens strijd met deze verdragsbepalingen.
Maximum van 2014 telt
Ook de verhoging van het wettelijke maximum per 1 januari 2015 naar € 5.278 blijft buiten toepassing, omdat het beboetbare feit daarvóór ligt en het gunstigste bedrag telt. De Hoge Raad vermindert de boete tot € 344 en matigt niet verder, vanwege de financiële omstandigheden van de belastingplichtige. Het hof achtte een boete van € 492 immers al proportioneel.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1341 | 06-08-2026
Een dga overlijdt in 2018 en zijn weduwe verkrijgt alle aandelen in zijn bv. In de aangifte van de erflater staat geen vervreemdingsvoordeel. Volgens de weduwe ligt daarin een impliciet verzoek om doorschuiving besloten. Zij claimt in 2020 een verlies van ruim € 260.000. De inspecteur gaat uit van het gestorte aandelenkapitaal en komt uit op een verlies van € 5.000. De rechtbank geeft de inspecteur gelijk. Sinds 2015 staat het verzoek als aan te kruisen vakje op het aangiftebiljet en de bv drijft geen onderneming.
Verlies van twee ton
In haar aangifte over 2020 vermeldt de weduwe een negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van ruim € 260.000. Zij rekent met een overdrachtsprijs van bijna € 13.000 en een verkrijgingsprijs van ruim € 270.000, bestaande uit agio en aandelenkapitaal. De inspecteur wijkt daarvan af en stelt de verkrijgingsprijs vast op het gestort en geplaatst aandelenkapitaal per 1 januari 2018 van ruim € 18.000. De inspecteur komt zo uit op een verlies van € 5.000.
Sinds 2015 een vakje
De doorschuifregeling vergt een schriftelijk verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden. Dat verzoek kan ook impliciet worden gedaan, zo volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2006. De weduwe wijst op een uitspraak waarin het hof zo'n impliciet verzoek aanneemt. De rechtbank ziet een beslissend verschil: die zaak betreft een aangifte over 2011, toen het biljet nog geen vakje voor doorschuiving kende. Sinds 2015 bestaat dat vakje wel en in de aangifte over 2018 is het leeg gebleven. Wie het verzoek kan en moet doen maar dat nalaat, voldoet niet aan de voorwaarde.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:7358 | 06-08-2026
Vanaf 1 januari 2027 wijzigen de regels voor het samenvoegen van loon en socialezekerheidsuitkeringen bij de loonheffingen. Deze aanpassing heeft financiële gevolgen voor werknemers die een socialezekerheidsuitkering via hun werkgever ontvangen.
Aanpassing samenvoegbepaling
De wijziging houdt in dat, ondanks het samenvoegen van loon uit vroegere dienstbetrekking (socialezekerheidsuitkeringen) en loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, de arbeidskorting niet langer van toepassing is op het uitkeringsdeel. Dit volgt op een oordeel van de Hoge Raad over ongelijke behandeling. Het gaat om de volgende uitkeringen in combinatie met loon uit werk of een aanvulling op een uitkering:
- WAO-uitkering
- WAZ-uitkering
- Wajong-uitkering
- IVA- en WGA-uitkeringen (WIA-uitkeringen)
- Ziektewetuitkering, behalve als die voortkomt uit het huidige dienstverband
- Wamil-uitkering (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen)
- BNO-uitkering (buitengewone natuurlijke omstandigheden)
- WTV-uitkering (werktijdverkorting)
- Toeslag op grond van de Toeslagenwet
Rekenvoorbeeld
Een werknemer (45 jaar) is in dienst en ontvangt maandelijks een WGA-uitkering van € 2.000 via de werkgever (loon uit vroegere dienstbetrekking). Daarnaast betaalt de werkgever € 750 resterend loon en een aanvulling van € 250 op de uitkering, samen € 1.000 (loon uit tegenwoordige dienstbetrekking). Het totale loon bedraagt € 3.000. Loonheffingskorting wordt toegepast.
Gevolgen voor de inhouding
In 2026 past de werkgever de witte maandtabel toe op het totale bedrag van € 3.000. De inhouding bedraagt € 386,83, waarbij € 458,17 aan arbeidskorting is verrekend. Netto ontvangt de werknemer € 2.613,17.
Vanaf 2027 wijzigt de berekening. Eerst wordt de inhouding op het totale bedrag van € 3.000 bepaald met de groene maandtabel (€ 845,00). Vervolgens wordt de verrekende arbeidskorting op het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (€ 1.000) met de witte maandtabel vastgesteld (€ 83,67). De uiteindelijke inhouding is dan € 845,00 minus € 83,67, wat neerkomt op € 761,33. Netto ontvangt de werknemer € 2.238,67.
Financiële impact
Voor de werknemer uit het voorbeeld betekent dit een netto achteruitgang van € 374,50 per maand. Dit komt neer op ongeveer 18% van het uitkeringsbedrag. Dit nadeel kan oplopen tot maximaal 31% van het bedrag van de bruto-uitkering dat in het totale loon zit. Werkgevers wordt geadviseerd hun werknemers tijdig te informeren over deze aanpassing, zodat zij zich hierop kunnen voorbereiden.
Bron: Ministerie van Financiën | besluit | stcrt-2026-25913 | 18-08-2026
Een man komt vanuit India aan op Schiphol en wordt gecontroleerd door de Douane. Bij de controle ontdekt de Douane dat hij 1.200 sigaretten bij zich heeft. Voor 200 sigaretten krijgt hij een vrijstelling, maar voor de overige 1.000 sigaretten legt de Douane hem een uitnodiging tot betaling (utb) op van € 529,23, bestaande uit douanerecht, accijns en omzetbelasting. Door een computerstoring is deze aanslag handmatig uitgeschreven. Later ontvangt de man een digitale versie met alle details. Hij betaalt het bedrag direct, maar dient bezwaar in.
De man legt tijdens het bezwaar uit dat de sigaretten niet allemaal voor hem waren en dat hij niet wist dat hij aangifte moest doen. Hij stelt dat hij al in de bagagehal werd gecontroleerd, nog voordat hij de kans kreeg om door het rode kanaal te gaan. De Douane handhaaft echter de aanslag, omdat de man de sigaretten niet had aangegeven in het groene kanaal (niets aan te geven).
De man gaat vervolgens in beroep. Hij stelt dat de handgeschreven aanslag niet correct is opgesteld, dat hij niet vrijwillig voor het groene kanaal heeft gekozen en dat hij recht heeft op een vrijstelling voor de sigaretten van een vriend. De rechtbank beslist dat het niet uitmaakt of hij vrijwillig door het groene kanaal ging of in de bagagehal werd gecontroleerd. De man had alsnog aangifte moeten doen. Ook wijst de rechtbank het vrijstellingsverzoek voor de sigaretten van zijn vriend af, omdat ze niet samen door de Douane gingen.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:8621 | 19-05-2026
Een man en vrouw hebben in 2023 uitsluitend bank- en spaartegoeden van in totaal € 229.802. Op deze tegoeden ontvangen zij gedurende het jaar € 1.575 aan rente. De Belastingdienst stelt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) vast op € 1.065. De man vindt dat dit bedrag lager moet uitvallen en beroept zich daarbij op het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad.
Heffingsvrij vermogen
De man stelt dat bij de berekening van het werkelijke rendement rekening moet worden gehouden met het heffingsvrij vermogen. Volgens zijn berekening mag daarom slechts een deel van de ontvangen rente worden meegenomen. Hij komt uit op een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 793 in plaats van € 1.065.
Forfaitair rendement
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Volgens de rechtbank maakt de Hoge Raad in zijn arrest van 6 juni 2024 duidelijk dat bij de vaststelling van het werkelijke rendement moet worden uitgegaan van het volledige behaalde rendement op het vermogen. Daarbij vindt geen vermindering plaats wegens het heffingsvrije vermogen. Dat betekent dat in deze zaak het volledige bedrag van € 1.575 aan ontvangen rente geldt als werkelijk rendement. Omdat het forfaitaire rendement lager uitvalt dan het daadwerkelijk behaalde rendement, is geen sprake van een situatie waarin de belastingplichtige zwaarder wordt belast dan zijn werkelijke opbrengst.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:7168 | 18-08-2026
De aanvraagtermijn voor huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2025 is met vier maanden verlengd. De aanvraagtermijn voor deze toeslagen loopt nu tot en met 31 december 2026. Voorheen was het mogelijk deze toeslagen aan te vragen tot en met 1 september van het daaropvolgende jaar. Nu hebben mensen na afloop van een kalenderjaar nog een volledig jaar de tijd om te checken of zij recht hebben op toeslagen en deze alsnog aan te vragen. Deze verruiming maakt het ook gemakkelijker om een aanvraag te doen op basis van de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2025. Veel mensen ontvangen deze aanslag in de zomer. Voor ondernemers met uitstel voor het doen van belastingaangifte geldt een uitzondering. Zij kunnen toeslagen aanvragen tot de datum waarop hun uitstel afloopt.
Kinderopvangtoeslag
Voor kinderopvangtoeslag gelden andere aanvraagtermijnen. Deze toeslag kan maximaal drie maanden met terugwerkende kracht worden aangevraagd.
Bron: Belastingdienst | persbericht | 09-08-2026
Een belastingplichtige betoogt dat de box 3-heffing ongeldig is, omdat de wet geen expliciet genietingsmoment bevat. Hij betoogt dat zonder wettelijke bepaling die vastlegt wanneer het inkomen wordt genoten, het niet kan worden belast. De rechtbank verwerpt dit argument. Het genietingsmoment zit besloten in de peildatum van 1 januari. Een afzonderlijke bepaling is niet nodig.
Fors vermogen in onroerend goed
De man doet aangifte inkomstenbelasting 2021 met een box 3-inkomen van ruim dertigduizend euro. Zijn bezittingen bestaan voornamelijk uit onroerende zaken ter waarde van bijna 3,4 miljoen euro, aangevuld met bank- en spaartegoeden en een aandelenportefeuille. Na aftrek van schulden resteert een rendementsgrondslag van ruim negenhonderdduizend euro. De aanslag wordt conform de aangifte opgelegd. Toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 leidt niet tot een lager voordeel.
Ontbrekend genietingsmoment?
De man gaat in beroep met een opmerkelijk argument. Voor box 1-inkomen bepaalt de wet expliciet wanneer dat inkomen wordt genoten. Voor box 3 ontbreekt zo'n bepaling. De man betoogt dat zonder wettelijk vastgelegd genietingsmoment de heffingsgrondslag onduidelijk is en het inkomen niet kan worden belast. Hij beroept zich op het Europese eigendomsrecht, het EU-Handvest en diverse rechtsbeginselen zoals het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
Peildatum is het genietingsmoment
De rechtbank maakt korte metten met dit betoog. Uit de wet volgt dat inkomstenbelasting wordt geheven over het in een kalenderjaar genoten inkomen uit sparen en beleggen. Dat inkomen wordt forfaitair bepaald naar de grondslag per 1 januari van het kalenderjaar. De heffingsgrondslag is daarmee duidelijk. Een afzonderlijke bepaling voor het genietingsmoment is niet nodig. De rechtbank vindt steun in het Kerstarrest, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het forfaitaire stelsel ertoe strekt belasting te heffen over door de belastingplichtige genoten inkomen. De Hoge Raad achtte een afzonderlijk genietingsmoment niet vereist.
Handvest niet van toepassing
Het beroep op het EU-Handvest faalt eveneens, maar om een andere reden. De Wet IB 2001 beoogt geen Unierecht uit te voeren. Daardoor is het Handvest in deze zaak niet van toepassing en kan de man er geen beroep op doen.
Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:18709 | 01-07-2026
Een ondernemer claimt aftrek van voorbelasting. Een deel van zijn administratie is echter verloren gegaan door lekkage, waardoor hij de geclaimde voorbelasting niet kan onderbouwen. Het verlies van de administratie door lekkage komt volgens de rechter voor rekening en risico van de ondernemer. Het gevolg is dat de ondernemer niet concreet kan maken welke bedragen op welke facturen of kassabonnen betrekking hebben op belaste prestaties. Op basis van de grootboekkaarten heeft de inspecteur toch een deel van de aftrek voorbelasting toegestaan, waarbij hij volgens de rechter coulant is geweest.
Na regen komt zonneschijn?
Ten aanzien van de voorbelasting op de zonnepanelen heeft de ondernemer verklaard dat deze worden gebruikt voor de verhuur van appartementen. Dit is een onbelaste prestatie. De ondernemer heeft ook niets aangevoerd over eventuele teruglevering van energie aan het energiebedrijf en de vergoedingen daarvoor. De aftrek van voorbelasting op de zonnepanelen is daarom terecht geweigerd.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:6382 | 12-07-2026
Een vrouw verkoopt haar woning. In hetzelfde jaar sluit zij een voorlopige koopovereenkomst voor een nieuwe woning. Deze wordt het jaar erna, in januari, geleverd. De vrouw maakt de koopsom in januari in drie delen over naar de derdengeldrekening van de notaris. In haar aangifte inkomstenbelasting geeft de vrouw bank-, giro- en spaartegoeden op. Later stelt zij dat zij ten onrechte geen box 3-schuld heeft opgenomen voor de aankoop van de nieuwe woning.
Box 3-schuld?
De rechtbank oordeelt dat de opbrengst van de woning tot de rendementsgrondslag in box 3 behoort. De rechtbank vindt dat de vrouw het geld op haar bankrekening niet mag verrekenen met een even grote schuld voor de aankoop van de nieuwe woning. Volgens de rechtbank ontstaat door de koopovereenkomst niet alleen een betalingsverplichting, maar ook een recht op levering van de woning. Deze twee onderdelen horen onlosmakelijk bij elkaar. De verplichting om de koopsom te betalen kan daarom niet afzonderlijk als schuld in box 3 worden aangemerkt.
Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5017 | 23-06-2026
Een bv drijft een uitzendbureau en een klussenbedrijf. De enige aandeelhouder is een vrouw, die samen met haar partner bestuurder is. De bv heeft twee vorderingen die zij in 2020 wil afwaarderen. De eerste vordering van ruim € 74.000 betreft de zoon van de partner. Hij heeft met geld van de bv gegokt op internet. De tweede vordering van € 97.000 betreft de partner zelf, aan wie de bv een lening heeft verstrekt zonder zekerheden. Beide schuldenaren ondertekenen eind 2020 een brief waarin zij verklaren slechts een fractie te kunnen terugbetalen. De bv boekt de vorderingen af als bijzondere lasten. De inspecteur weigert deze afwaardering, waarna de bv besluit de lening om te zetten in een vergoeding voor verrichte werkzaamheden.
Geen reden voor afwaardering in 2020
De rechtbank oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is om de vordering op de zoon juist in 2020 af te waarderen. De zoon is in loondienst bij de bv en had de vordering in termijnen kunnen terugbetalen. Sterker nog: in 2022 betaalt hij alsnog bijna € 50.000 terug. Waarom er in 2020 geen afbetalingsregeling is afgesproken, kan de bv niet uitleggen.
Omzetting lening ongeloofwaardig
Voor de vordering op de partner pakt de rechtbank zwaarder uit. De bv erkent in haar beroepschrift dat de lening is omgezet in een vergoeding voor werkzaamheden, uitsluitend omdat kwijtschelding fiscaal niet aftrekbaar zou zijn. De rechtbank acht die handelswijze ingegeven door de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder en haar relatie met de partner, niet door zakelijke motieven. De bv stelt dat de partner cruciale werkzaamheden verrichtte en het boekenonderzoek begeleidde. De rechtbank vindt dat volstrekt ongeloofwaardig. De reguliere beloning van de partner bedroeg in de jaren 2018 tot en met 2021 slechts € 8.000 tot € 14.000 per jaar. Waarom zou hij opeens recht hebben op een extra vergoeding van € 97.000? De aftrek is terecht geweigerd.
Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3026 | 16-04-2026
Een werknemer was tot 2017 verplicht verzekerd in Luxemburg en bouwde daar pensioen op. Daarna wordt hij verplicht verzekerd in Nederland, maar hij zet de Luxemburgse pensioenregeling vrijwillig voort. De premie die hij zelf betaalt, wil hij aftrekken als negatief loon of als lijfrentepremie. Het hof wijst beide af. De vrijwillige voortzetting is een privéaangelegenheid zonder voldoende verband met de dienstbetrekking.
Van verplicht naar vrijwillig
De werknemer heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. Hij werkt jarenlang voor een internationaal concern, waarbij achtereenvolgens een Nederlandse en een Luxemburgse vennootschap als werkgever optreden. Tot 1 september 2017 is hij verplicht sociaal verzekerd in Luxemburg. In dat kader bouwt hij pensioen op bij het Luxemburgse pensioenfonds CNAP. De werkgever betaalt de helft van de premies, de andere helft wordt ingehouden op het loon van de werknemer. Per 1 september 2017 verschuift de verzekeringsplicht naar Nederland en eindigt de verplichte deelname aan CNAP.
Werkgever biedt vergoeding aan
De werkgever informeert de werknemer dat hij de Luxemburgse pensioenopbouw vrijwillig kan voortzetten. De werkgever is bereid de helft van de premie te vergoeden, tot maximaal acht procent van het brutoloon. De werknemer maakt gebruik van die mogelijkheid. Hij sluit zelf een overeenkomst met de Luxemburgse pensioeninstantie en betaalt de premie vanaf zijn privébankrekening. De werkgever vergoedt zijn deel via het loon, aangeduid als 'pension contribution'. Die vergoeding is belast als loon. In 2020 betaalt de werknemer in totaal bijna € 15.000 en ontvangt hij netto ruim € 7.000 van zijn werkgever. Het verschil wil hij aftrekken.
Geen negatief loon
De werknemer voert de eigen bijdrage op als negatief loon. Het hof verwerpt dat. De werknemer heeft zelf in privé de verzekering afgesloten bij CCSS. De werkgever omschrijft het als een 'exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution'. Anders dan voorheen bij CNAP is de werkgever geen partij bij deze overeenkomst. De premie die de werknemer betaalt, houdt daardoor onvoldoende verband met zijn dienstbetrekking om als negatief loon te kunnen worden aangemerkt. Dat de regeling in het verlengde ligt van de vroegere verplichte verzekering, maakt dit niet anders.
Geen lijfrentepremie
De werknemer betoogt vervolgens dat de premie aftrekbaar is als uitgave voor inkomensvoorziening. Ook dat faalt. Op de werknemer rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de betalingen kwalificeren als lijfrentepremie en dienen ter compensatie van een pensioentekort. Aan die bewijslast heeft hij niet voldaan. De stelling dat sprake is van strijd met het Europese discriminatieverbod, omdat sommige buitenlandse verzekeraars wel zijn toegelaten, behoeft geen behandeling. Eerst moet immers vaststaan dat het om een lijfrentepremie gaat en dat is niet aannemelijk gemaakt.
Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1278 | 19-05-2026
De bevoegdheid van de inspecteur om rechtstreeks informatie op te vragen is niet territoriaal begrensd, zo bevestigt de Hoge Raad. Ook brengt de Tax Information Exchange Agreement (TIEA) met Jersey niet mee dat de inspecteur eerst informatie bij de autoriteiten van Jersey moet opvragen. Het gebruik van de TIEA wordt gezien als een aanvullende mogelijkheid, maar is niet verplicht als alternatief of vervanging voor het rechtstreeks benaderen van personen. Dit is alleen anders als het handelen van de inspecteur in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Tot deze conclusie komt de Hoge Raad in een zaak van een vrouw en haar gezin, die in 2013 van Nederland naar Jersey zijn verhuisd. De Belastingdienst vermoedt dat zij over eerdere belastingjaren mogelijk onvolledige informatie hebben verstrekt. Als de vrouw niet volledig voldoet aan een informatieverzoek, legt de inspecteur informatiebeschikkingen op. Later vraagt de inspecteur via de TIEA met Jersey aanvullende informatie op over de vrouw, haar partner en hun gezamenlijke vennootschap. Dit leidt tot navorderingsaanslagen. De vrouw stelt dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met de TIEA en ten onrechte rechtstreeks informatie bij haar heeft opgevraagd. Zowel het gerechtshof als de Hoge Raad oordeelt dat dit niet het geval is. De inspecteur heeft rechtmatig gehandeld. De informatiebeschikkingen blijven in stand.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1016 | 09-07-2026
Een vrouw overlijdt in 2020. De inspecteur legt een aanslag inkomstenbelasting op, waarbij hij een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 241.893 in aanmerking neemt. De erven van de vrouw stellen dat de vrouw geen aanmerkelijk belang had. Haar man is immers enig aandeelhouder van de holding-bv. De vrouw heeft haar enige aandeel in de holding op de dag van de oprichting overgedragen aan haar man. De wijziging van de huwelijkse voorwaarden naar een algehele gemeenschap van goederen brengt daar volgens de erven geen verandering in.
Fictieve vervreemding
De rechtbank oordeelt dat de aandelen in de holding op het moment van het overlijden van de vrouw in de huwelijksgemeenschap vallen. Hierdoor heeft de vrouw een aanmerkelijk belang in de holding. De overgang onder algemene titel bij overlijden wordt als een fictieve vervreemding aangemerkt. Het vervreemdingsvoordeel bedraagt € 241.893.
Doorschuiffaciliteit
De erven stellen verder nog dat de doorschuiffaciliteit van toepassing is. De onderneming wordt door de man voortgezet. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Omdat de holding bv en haar dochteronderneming sinds 2015 geen activiteiten verrichten en geen omzet behalen, is er geen sprake van een materiële onderneming. Ook van een medegerechtigdheid is geen sprake. De doorschuiffaciliteit kan daarom niet worden toegepast.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:6105 | 06-07-2026
Een dga stelt dat hij vanwege hartproblemen geen werkzaamheden voor zijn bv heeft verricht. Daarom zou de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing zijn. Het hof denkt daar anders over. Uit brieven en e-mails blijkt dat de dga in het jaar in kwestie namens de bv bezwaarschriften indiende, verzoeken deed en correspondeerde met de Belastingdienst. Die administratieve werkzaamheden zijn voldoende om gebruikelijk loon in aanmerking te nemen.
Schoonheidssalon via bv
De echtgenote van de dga runt een schoonheidssalon. Na haar persoonlijke faillissement in 2016 richt de dga twee vennootschappen op om de salon met behoud van personeel voort te zetten. De echtgenote mag van de curator geen bestuurder worden, dus neemt de dga die rol op zich. Volgens de echtgenote heeft hij uitsluitend een adviserende en coachende rol en verricht hij geen daadwerkelijke arbeid. In januari 2019 wordt de dga opgenomen in het ziekenhuis met hartproblemen en een longontsteking. Zijn huisarts verklaart dat het boezemfibrilleren wordt uitgelokt door stress en dat de dga zijn leefstijl moet aanpassen.
Aangifte zonder loon
De dga doet aangifte inkomstenbelasting 2019 naar een negatief inkomen van € 2.544. De inspecteur corrigeert de aangifte met een gebruikelijk loon van € 26.470, gelijk aan het loon van de meestverdienende werknemer: de echtgenote. Na bezwaar wordt het belastbaar inkomen vastgesteld op € 23.220. De dga gaat in beroep en stelt dat hij vanwege zijn gezondheid geen werkzaamheden heeft verricht. De werkzaamheden die hij wel deed, waren volgens hem puur arbeidstherapeutisch.
Eigen correspondentie als bewijs
Uit het dossier blijkt dat de dga in 2019 als contactpersoon stond vermeld in de maandelijkse aangiften loonheffing. In maart 2019 verzocht hij namens de holding om een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, stuurde hij informatie toe voor een hoorgesprek en bevestigde hij telefonisch gemaakte afspraken per e-mail. In april 2019 diende hij namens de bv bezwaar in tegen een aanslag vennootschapsbelasting en in november en december correspondeerde hij uitgebreid met de inspecteur over dat bezwaar.
Verklaringen onvoldoende
De verklaringen van de huisarts en de echtgenote veranderen dit niet. Deze verklaringen gaan over de gezondheid van de dga, maar nemen niet weg dat hij de administratieve werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd. De dga heeft niet bewezen dat een lager gebruikelijk loon op zijn plaats is. Uit de verklaringen kan niet worden afgeleid dat hij slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat was waarmee geen loon kan worden genoten. Het hoger beroep is ongegrond.
Omvang niet getoetst
Opvallend is dat het hof niet toetst of de omvang van de werkzaamheden het gebruikelijk loon rechtvaardigt. De systematiek van de wet is hard: zodra vaststaat dat de dga enige arbeid verricht, geldt het standaardbedrag. Wil de dga een lager loon? Dan moet hij bewijzen dat dit gebruikelijk is voor vergelijkbare arbeid. Door alleen medische verklaringen over te leggen in plaats van concrete gegevens over wat vergelijkbaar administratief werk waard is, laat de dga die kans liggen. De uitkomst roept wel vragen op. Een handvol brieven en e-mails levert een belastbaar loon op van ruim € 26.000.
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:4305 | 22-06-2026
De bevoegdheid om een navorderingsaanslag op te leggen vervalt vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Bij uitstel voor het doen van aangifte wordt deze termijn verlengd met het verleende uitstel. De inspecteur stelt dat hij een navorderingsaanslag voor 2011 tijdig heeft opgelegd, vanwege dertien maanden uitstel via de Becon-regeling. De inspecteur kan echter geen stukken tonen die dit uitstel onderbouwen. Een collega bevestigt bovendien dat het systeem geen Becon-uitstel voor 2011 registreert. De rechtbank oordeelt daarom dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat kenbaar uitstel is verleend. De navorderingsaanslag voor 2011 is daarom buiten de navorderingstermijn van vijf jaar opgelegd en wordt vernietigd.
Wel navordering over 2012 en 2013
Een man exploiteert in maatschapsverband een motortankschip. De man is de kapitein en de andere maat verzorgt de administratie. Het schip vervoert plantaardige oliën, waarbij 'slops' ontstaan met een waardevolle oliecomponent. In 2011 start een strafrechtelijk onderzoek, 'Flip' genaamd, naar de verduistering van plantaardige olie door schippers, aangeboden als slops aan een vethandel. De man is tot zijn overlijden verdachte in dit onderzoek.
Contante betalingen
De Belastingdienst onderzoekt de administratie van de vethandel en stelt vast dat de vethandel inkoopfacturen op naam van het schip opmaakt voor contante betalingen aan de schippers voor geleverde slops. De jaarrekeningen van de maatschap vermelden geen opbrengsten uit slops. De inspecteur stelt dat de man de contante betalingen niet heeft opgenomen in zijn aangiften. De man reageert dat hij geen administratie heeft, omdat de andere maat die voerde. De maat verklaart dat de man buiten het zicht van de maatschap om ontvangsten had en dat er geen inkomsten uit slops op de bankrekening van de maatschap zijn ontvangen.
Administratie
De erven van de man stellen dat hij de contante betalingen nooit heeft ontvangen en dat de administratie van de vethandel geen overtuigend bewijs levert. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de man de contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van de vethandel overgelegd, waaronder inkoopfacturen, begeleidingsbrieven en weegbrugstempels, die met elkaar overeenkomen en de beschreven werkwijze bevestigen. Ook kalenders en kladkasboeken van de vethandel ondersteunen de facturenstroom. De rechtbank acht het verder van belang dat de maatschap geen ontvangsten voor slops heeft verantwoord in de jaarrekeningen en dat de partner die de administratie voerde dit heeft bevestigd. De stellingen van de erven zijn niet onderbouwd met bewijs. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd en niet te hoog.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:5608 | 21-06-2026
Iemand heeft recht op arbeidskorting als hij arbeidsinkomen geniet. Sinds 1 januari 2020 telt een Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) alleen mee als arbeidsinkomen als de dienstbetrekking nog niet is beëindigd. De wet maakt nu dus onderscheid tussen zieke werknemers met een lopende dienstbetrekking en zieke personen zonder dienstbetrekking. Voor de laatste groep, waaronder mensen van wie het arbeidscontract tijdens ziekte is beëindigd, telt de ZW-uitkering niet langer mee voor de arbeidskorting.
Arbeidskorting terugbetalen
Een man trad in 1992 in dienst bij zijn inmiddels ex-werkgever. In april 2021 sluiten zij een vaststellingsovereenkomst, waarin zij overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In mei 2021 meldt de man zich ziek. Vanaf dat moment ontvangt de man een ZW-uitkering tot mei 2023. In zijn aangifte 2022 geeft de man deze inkomsten aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. De inspecteur stelt de aanslag echter vast op basis van inkomen uit vroegere dienstbetrekking, waardoor de man geen recht heeft op arbeidskorting.
Eigenrisicodrager
De man maakt bezwaar. Volgens hem is er nog sprake van een dienstbetrekking. Hij voert aan dat een wettelijk ontslag niet kan ingaan tijdens een ziekteperiode. Tevens verwijst hij naar de loonspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven (2021-2023), waarin hij als 'werknemer' wordt aangeduid en waarop 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' staat vermeld. De inspecteur stelt dat de dienstbetrekking op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De ZW-uitkering wordt door de ex-werkgever als eigenrisicodrager uitgekeerd en niet in het kader van een lopende dienstbetrekking.
Geen recht op arbeidskorting
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. De dienstbetrekking is per 1 september 2021 beëindigd via de vaststellingsovereenkomst. De man heeft geen bewijs geleverd dat deze overeenkomst ongeldig of herroepen is. De vermeldingen op de loonspecificaties en jaaropgaven, zoals 'datum van indiensttreding: 1 september 2021' of 'werknemer', zijn niet doorslaggevend. De loonspecificatie vermeldt namelijk ook de functie 'ZW-uitkeringsgerechtigde'. De ex-werkgever ging uit van een dienstbetrekking tot 1 september 2021, maar niet daarna. De rechtbank merkt op dat de man bij herstel na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, aangezien de arbeidsovereenkomst niet meer bestaat. Aangezien het hier niet gaat om een ZW-uitkering met een lopende dienstbetrekking, telt de uitkering niet mee als arbeidsinkomen. Hierdoor bestaat er geen recht op arbeidskorting.
Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5042 | 25-06-2026
Een dga leent ruim zeven ton van zijn eigen bv. Het bedrag boven de wettelijke drempel van € 700.000 wordt belast als fictief regulier voordeel. De dga vindt dit in strijd met het Europese eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Waarom telt een zakelijke lening even zwaar als een onzakelijke lening? Rechtbank Den Haag verwerpt alle bezwaren. De wetgever mocht kiezen voor een eenvoudige regeling die alle leningen gelijk behandelt.
Schuld groeit snel
De dga houdt alle aandelen in een bv. Zijn rekening-courantschuld aan de vennootschap groeit van ruim € 5.000 in 2017 naar bijna € 600.000 eind 2022. In 2023 loopt de schuld verder op tot € 786.278. Per 1 januari 2023 is de Wet excessief lenen in werking getreden. Die wet bepaalt dat schulden aan de eigen bv boven de drempel van € 700.000 worden belast als fictief regulier voordeel in box 2. Het bovenmatige deel bedraagt € 86.278. Na verdeling met zijn fiscale partner wordt € 75.127 bij de dga belast tegen het aanmerkelijkbelangtarief.
Beroep op grondrechten
De dga stelt dat de heffing in strijd is met het Europese eigendomsrecht. Hij voert aan dat de wetgever ten onrechte geen onderscheid maakt tussen zakelijke en onzakelijke leningen. Een lening met zakelijke voorwaarden en zekerheden zou anders behandeld moeten worden dan een informele schuld zonder aflossingsschema. Daarnaast vindt de dga de heffing disproportioneel, omdat deze een radicale wijziging vormt die zonder overgangsrecht is ingevoerd. Tot slot beroept hij zich op het discriminatieverbod en stelt hij dat de heffing het draagkrachtbeginsel schendt.
Beschikking over gelden is doorslaggevend
De rechtbank verwerpt alle stellingen. De heffing heeft een wettelijke basis, dient een legitiem doel en respecteert de vereiste balans tussen individueel en algemeen belang. Het doel van de wet is om uitstel en afstel van belastingheffing door dga's tegen te gaan. Daarbij is doorslaggevend dat de dga op enig moment de beschikking heeft gehad over het geleende bedrag. Of de lening zakelijk of onzakelijk is, doet er niet toe. De wetgever heeft bewust gekozen voor een eenvoudige regeling waarin alle leningen, behalve de eigenwoningschuld, gelijk worden behandeld. Die keuze is niet onredelijk.
Vijf jaar anticipatietijd
De rechtbank oordeelt verder dat de heffing niet disproportioneel is. De wetgever heeft de maatregel al in september 2018 aangekondigd, zodat dga's ruim vijf jaar de tijd hadden om hun schuldpositie af te bouwen. Bovendien kan een dga die later aflost het eerder belaste bedrag verrekenen als een negatief regulier voordeel en is de drempel € 200.000 hoger vastgesteld dan oorspronkelijk beoogd. Bij deze dga speelt terugwerkende kracht bovendien niet. Zijn schuld steeg pas in 2023 boven de drempel. Het beroep is ongegrond.
Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:18507 | 01-07-2026
Een vrouw ondertekent samen met haar echtgenoot een inkeermelding voor buitenlands vermogen van ruim twee miljoen euro. Jaren later stelt zij dat haar echtgenoot haar tot eind 2017 onwetend heeft gehouden over dat vermogen. Zij zou daarom geen opzet hebben gehad bij het doen van onjuiste aangiften. De rechtbank acht die verklaring volstrekt ongeloofwaardig. De inkeermelding spreekt immers van 'wij' en 'ons' en is door haarzelf ondertekend.
Van Luxemburg naar Hongkong
De vrouw drijft samen met haar echtgenoot een onderneming in vof-verband. De echtgenoot heeft in het verleden bij de Belastingdienst gewerkt. Het echtpaar houdt een effectenrekening aan in Luxemburg met een saldo van rond de twee miljoen euro. In 2013 heffen zij de rekening op en boeken het saldo over naar Hongkong. De nieuwe rekening wordt op naam van hun zoon gezet, omdat hij regelmatig in Hongkong moet zijn voor zijn werk. Op 29 december 2017 sturen de vrouw, haar echtgenoot en hun zoon gezamenlijk een inkeermelding naar de Belastingdienst. In de e-mail schrijven zij dat zij willen inkeren 'van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3'. De drie ondertekenen de melding persoonlijk.
Navorderingsaanslagen en boetes
De inspecteur legt navorderingsaanslagen inkomstenbelasting op over de jaren 2009 tot en met 2014. Op verzoek van het echtpaar worden deze uitsluitend aan de vrouw opgelegd. Bij de aanslagen over 2012 tot en met 2014 horen vergrijpboetes van 120% wegens opzet. Die boetes zijn al gematigd vanwege de vrijwillige inkeer. Zonder inkeer had 300% kunnen worden opgelegd. De vrouw maakt bezwaar. Zij stelt dat zij niet wist van het buitenlandse vermogen en dat haar echtgenoot haar bewust onwetend heeft gehouden. Daarom zou zij geen opzet hebben gehad.
Inkeermelding als bewijs
De rechtbank maakt korte metten met dit verweer. Uit de inkeermelding blijkt dat de vrouw in elk geval in 2013 wist van de Luxemburgse rekening, omdat zij die rekening toen samen met haar echtgenoot heeft opgeheven. De aangiften over 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend ná die opheffing. De vrouw wist dus van het vermogen, maar vermeldde het niet. De inkeermelding spreekt consequent van 'wij' en 'ons' en is door haarzelf mede ondertekend. De andersluidende verklaring van de echtgenoot, dat zij pas eind 2017 zou zijn ingelicht, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.
Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:5070 | 25-06-2026
Een holding en haar dga worden aansprakelijk gesteld voor een btw-schuld van een dochter-bv van de holding. De btw-schuld bedraagt ruim een miljoen euro. Zij bestrijden de aansprakelijkstelling met als standpunt dat de schuld zou zijn verjaard. Hoe oordeelt het hof?
Tweede hypotheek voor de holding
Een bv heeft een aantal panden gekocht voor de ontwikkeling van een vastgoedproject. De aankoop is gefinancierd met een hypothecaire lening van een bank. De gemeente wijzigt het bestemmingsplan, waardoor het project niet doorgaat en de waarde van de panden daalt. De bv lost vervolgens niet meer af op de schuld aan de bank. De bank is bereid het krediet voort te zetten op voorwaarde dat de bv een nieuwe eigenaar krijgt. De holding koopt de aandelen in de bv voor één euro en neemt een vordering van de oude aandeelhouder op de bv van € 1,5 miljoen over voor eveneens één euro. De holding wordt bestuurder van de bv. De bv vestigt een tweede hypotheek op de panden ten gunste van de holding. De bv gaf hiermee voor een extra kredietruimte van twee ton voor € 1,76 miljoen aan zekerheid. Na verkoop van de panden ontvangt de holding als tweede hypotheekhouder ruim een miljoen euro. De btw op de verkoop van bijna € 1,25 miljoen wordt niet afgedragen. De ontvanger van de Belastingdienst stelt de holding en haar dga aansprakelijk.
Beroep op verjaring
De holding en de dga stellen dat de belastingschuld is verjaard. Het dwangbevel dateert van april 2016 en gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar zou de verjaringstermijn van de belastingschuld in 2021 zijn verstreken. Dit is ruim voordat de ontvanger in 2024 een stuitingsbrief verstuurde. Volgens de ontvanger is de verjaring tussentijds gestuit doordat de bv de schuld heeft erkend. Het hof oordeelt dat de holding en de dga als de bestuurders van de bv de schuld meermaals hebben erkend.
Terecht aansprakelijk
Het hof oordeelt dat de holding en haar dga terecht aansprakelijk zijn gesteld voor de omzetbelastingschuld van de bv. De bv heeft haar andere schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, benadeeld door de vestiging van de tweede hypotheek. Ook is de vordering van de holding en haar dga daardoor aanzienlijk in waarde toegenomen. Het hof merkt dit aan als kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:671 | 10-03-2026
Een vrouw houdt 20% van de certificaten in een holding. De werkmaatschappij wordt geturboliquideerd en de onderneming gaat over naar haar vader als eenmanszaak. Niemand geeft inkomen uit aanmerkelijkbelang aan. Jaren later legt de inspecteur navorderingsaanslagen op. De dochter stelt dat de turboliquidatie betekent dat er geen baten waren en dus geen ab-inkomen. De rechtbank verwerpt dit betoog.
Van bv naar eenmanszaak
Vader drijft zijn onderneming via een werkmaatschappij onder een holding, waarvan hij veertig certificaten heeft. In 1994 schenkt hij zestien certificaten aan zijn twee kinderen, elk acht. De dochter heeft daarmee 20% en dus een aanmerkelijk belang. Per 1 januari 2018 wil vader de onderneming voortzetten als eenmanszaak. De werkmaatschappij wordt ontbonden via turboliquidatie. Een snelle beëindiging zonder vereffening, mits er geen baten zijn. De boekhouder gaat uit van een geruisloze terugkeer, maar vraagt geen beschikking aan. In de aangiften inkomstenbelasting 2018 wordt geen ab-inkomen aangegeven, terwijl liquidatie normaal leidt tot een vervreemdingsvoordeel.
Vermogenssprong roept vragen op
De inspecteur legt in juni 2019 de aanslagen 2018 op conform de aangiften. In december 2019 meldt de werkmaatschappij in haar aangifte vennootschapsbelasting dat zij is ontbonden. Bij controle blijkt dat geen beschikking geruisloze terugkeer is aangevraagd en dat er een vordering van ruim twee ton op vader bestond. Die vertegenwoordigt waarde voor de certificaathouders. De inspecteur vennootschapsbelasting attendeert zijn collega van de inkomstenbelasting en in oktober 2023 volgen navorderingsaanslagen. De dochter en haar fiscaal partner moeten elk over € 22.246 aan ab-inkomen afrekenen.
Nieuw feit of ambtelijk verzuim?
De dochter betoogt primair dat de inspecteur niet mag navorderen. De ontbinding was immers geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en haar certificaathouderschap was bekend. Bovendien had de vermogenssprong van twee ton in de aangifte van vader, waar de schuld aan de bv verdween, de inspecteur moeten alarmeren. De rechtbank verwerpt beide stellingen. De aangifte vennootschapsbelasting waarin de ontbinding werd vermeld, is pas ingediend nadat de aanslagen inkomstenbelasting waren opgelegd. De vermogenssprong bij vader schept geen onderzoeksplicht voor de aangiften van de dochter. Er is dus een nieuw feit.
Turboliquidatie zonder baten?
Volgens de dochter betekent turboliquidatie dat er geen baten zijn en dus geen uitkering. De rechtbank maakt korte metten met dit betoog. Een turboliquidatie is slechts toegestaan als er geen baten meer zijn, maar dat betekent niet dat er ook daadwerkelijk geen baten waren. De vordering op vader wijst op waarde. Hoe die is verdwenen, blijft onduidelijk. De dochter levert geen bewijs. De gemachtigde geeft ter zitting toe dat het 'gegis' is hoe een en ander is afgewikkeld. De rechtbank volgt daarom de berekening van de inspecteur en handhaaft de navorderingsaanslagen.
Bron: Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2026:2181 | 01-06-2026
Een ondernemer huurt sinds 2016 een aantal bedrijfsruimtes in een pand. De verhuurder brengt btw in rekening op basis van een afspraak over belaste verhuur. Kort daarna begint de ondernemer delen van het pand door te verhuren aan derden. Bij deze onderverhuur wordt in de huurovereenkomsten expliciet opgenomen dat geen btw over de huur wordt gerekend. In 2017 adviseert een nieuwe accountant de ondernemer om toch btw te berekenen over de onderverhuur. De ondernemer laat zijn onderhuurders per e-mail weten dat vanaf 1 juli 2017 btw in rekening wordt gebracht. Deze aanpassing wordt echter niet vastgelegd in nieuwe huurovereenkomsten.
Correcties
In 2021 start de Belastingdienst een boekenonderzoek naar de aangiften van de ondernemer over de periode 2016 tot en met 2018. Het onderzoek brengt verschillende tekortkomingen aan het licht, waaronder een verschil tussen aangiften en administratie (aansluitverschillen) en een onterechte aftrek van voorbelasting voor het pand. In 2022 stuurt de Belastingdienst naheffingsaanslagen over 2017 en 2018, met correcties voor deze punten.
Belaste verhuur en aftrekrecht
Voor belaste verhuur is vereist dat de onroerende zaak wordt gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van omzetbelasting bestaat. Ook moeten verhuurder en huurder dit schriftelijk zijn overeengekomen of gezamenlijk een verzoek hebben ingediend bij de inspecteur. De rechtbank stelt vast dat de huurovereenkomsten met de onderhuurders expliciet vermelden dat geen omzetbelasting in rekening wordt gebracht. De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat partijen voor belaste verhuur hebben gekozen of een gezamenlijk verzoek hebben ingediend.
Geen aftrek
Omdat de onderverhuur vrijgesteld is van omzetbelasting, gebruikt de ondernemer het pand niet voor prestaties waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Hierdoor kon de ondernemer het pand niet met een optie voor belaste verhuur huren van de bv. De ondernemer heeft daarom geen recht op aftrek van deze voorbelasting. De correcties van de inspecteur zijn terecht.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2025:16030 | 18-12-2025
Een Nederlandse bv ontvangt dividend van haar Chinese dochtermaatschappij. Zij waardeert de dividendvordering in euro's tegen de slotkoers van de maand voorafgaand aan de transactie, zoals de concernrichtlijnen voorschrijven. De inspecteur vindt dat zij de dagkoers had moeten gebruiken en legt een navorderingsaanslag op. De correctie bedraagt ruim € 7,4 miljoen. Is het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming met goed koopmansgebruik?
Dividend uit China
De bv is de Nederlandse tak van een beursgenoteerd logistiek concern en houdt belangen in meer dan 200 dochtermaatschappijen wereldwijd. In augustus 2015 keert een Chinese dochter een dividend uit, van omgerekend ruim € 106 miljoen. De uitbetaling vindt pas in november plaats, omdat de goedkeuring van de Chinese fiscale autoriteiten voor een verlaagd tarief bronbelasting op zich laat wachten. De bv activeert de dividendvordering tegen de slotkoers van juli 2015 en waardeert de ontvangen betalingen tegen de slotkoers van oktober 2015. Dat levert een koersverlies op van bijna € 2,5 miljoen.
Inspecteur wil dagkoersen
De inspecteur is het niet eens met deze werkwijze. Hij stelt dat de bv de dagkoers van de transactie had moeten hanteren en komt dan niet uit op een verlies, maar op een koerswinst van bijna € 5 miljoen. De correctie van ruim € 7,4 miljoen leidt tot een navorderingsaanslag over 2015 en doorwerking naar 2016. De inspecteur betoogt dat het waarderingssysteem van de bv in strijd is met goed koopmansgebruik, met de deelnemingsvrijstelling en met het totaalwinstbeginsel. Bovendien zou de interne concernovereenkomst onzakelijk zijn.
Waarom de slotkoers?
De bv legt uit dat alle concernonderdelen gebonden zijn aan een interne bankovereenkomst en aan concernbrede boekhoudvoorschriften. Deze schrijven voor dat transacties in vreemde valuta worden gewaardeerd tegen de slotkoers van de voorafgaande maand. Het waarderingssysteem heeft valide bedrijfseconomische redenen: de valutarisico's worden geconcentreerd bij de inhouse bank van het hoofdkantoor. Bovendien sluiten de administraties van alle concernonderdelen op deze manier goed op elkaar aan. Dit vergemakkelijkt het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening. De bv past dit systeem al decennialang bestendig toe.
Goed koopmansgebruik
De rechtbank oordeelt dat het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Bedrijfseconomische inzichten en de civielrechtelijke werkelijkheid zijn leidend, zolang geen strijd ontstaat met een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift. Daarvan is hier geen sprake. De bv heeft immers niet meer dividend ontvangen dan het in haar aangifte verantwoorde bedrag, zodat geen strijd is met de deelnemingsvrijstelling of het totaalwinstbeginsel. Dat de koers van de Chinese yuan ten opzichte van de euro grillig is, doet daar niet aan af. Het systeem beantwoordt aan zowel het realiteitsbeginsel als het eenvoudsbeginsel. De inspecteur heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de bv zich door het systeem structureel winst laat ontgaan. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:4173 | 14-04-2026
Een ondernemer investeert ruim € 60.000 in een handelsbot die maandelijks 10 tot 20% rendement zou opleveren. De bot blijkt niet te bestaan en de aanbieder wordt veroordeeld voor oplichting. De ondernemer wil zijn verlies aftrekken als ondernemingskosten, maar het hof oordeelt dat de investering geen bron van inkomen vormt. Een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt, omdat de ondernemer nooit inzicht kreeg in de werking van de bot.
Van evenementen naar crypto
De ondernemer drijft een eenmanszaak die cursussen en evenementen over coaching en persoonlijke ontwikkeling organiseert. Via zijn zakelijke netwerk leert hij iemand kennen die beweert een handelsbot te hebben ontwikkeld waarmee geautomatiseerd in cryptocurrency wordt gehandeld. De aanbieder presenteert zijn product op een van de evenementen van de ondernemer en maakt een professionele indruk. Hij toont schermafbeeldingen waaruit blijkt dat de bot stabiel rendeert. De ondernemer, die zelf een opleiding tot blockchain-professional heeft gevolgd, raakt geïnteresseerd. Hij begint met een investering van duizend euro en ziet via een app dat zijn inleg in zeven maanden verdrievoudigt. Hij besluit meer te investeren en maakt uiteindelijk ruim zestigduizend euro over.
Oplichting aan het licht
Als de ondernemer zijn geld wil opnemen, komt de aanbieder met smoesjes. De ondernemer doet aangifte van oplichting. Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat de handelsbot nooit heeft bestaan. De schermafbeeldingen waren gefingeerd. De aanbieder wordt veroordeeld voor oplichting van 65 slachtoffers. De ondernemer dient vervolgens een herziene aangifte inkomstenbelasting in, waarin hij het verlies als ondernemingskosten opvoert. De inspecteur weigert de aftrek.
Geen objectieve voordeelsverwachting
Voor het hof staat de vraag centraal of de investering in de handelsbot een bron van inkomen vormt. Dat vereist deelname aan het economisch verkeer, het subjectief beogen van voordeel en een objectieve voordeelsverwachting. De eerste twee voorwaarden zijn niet in geschil. De derde wel. De ondernemer betoogt dat hij redelijkerwijs voordeel mocht verwachten omdat de aanbieder overtuigend overkwam, resultaten toonde en 65 anderen eveneens heeft opgelicht. Het hof verwerpt dit betoog. Doorslaggevend is dat de ondernemer, ondanks herhaalde verzoeken, nooit inzicht heeft gekregen in de werking van de bot. De ongefundeerde beweringen van de aanbieder, hoe overtuigend die subjectief ook waren, maken niet dat naar objectieve maatstaven een geldelijk voordeel redelijkerwijs kon worden verwacht.
Geen verband met onderneming
De ondernemer stelt subsidiair dat het verlies verband houdt met zijn bestaande onderneming. Hij wilde via de investering kennis opdoen om cursussen over cryptohandel te kunnen ontwikkelen. Ook dit argument verwerpt het hof. De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat de investering diende om cursussen te ontwikkelen. Evenmin heeft hij onderbouwd dat hij met ondernemingsvermogen heeft geïnvesteerd. Het verlies is niet aftrekbaar in box 1.
Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:1598 | 12-05-2026
Een bv krijgt een naheffingsaanslag loonheffingen met belastingrente en een verzuimboete opgelegd over de jaren 2018 t/m 2020. De inspecteur corrigeert de kosten voor personal training en sportschoolabonnementen van de dga en zijn echtgenote. De dga vindt dat deze kosten onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De werkgever zorgt hiermee voor de gezondheid van zijn werknemers, wat verplicht is volgens de wet.
Arbowet en gezagsverhouding
De dga is directeur en enig aandeelhouder van de bv en tevens de enige werknemer. De bv heeft een 51%-belang in een andere bv, waar de echtgenote van de dga in dienst is. De inspecteur stelt dat de dga een zelfstandige is en dat de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) niet van toepassing is. De rechtbank oordeelt echter dat er wel sprake is van een gezagsverhouding tussen de bv en de dga, waardoor de Arbowet van toepassing is. Het is niet relevant of materieel sprake is van een gezagsverhouding.
Gerichte vrijstelling en partner
De bv stelt dat de kosten voor personal training en het sportschoolabonnement van de dga onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen vallen. De rechtbank volgt dit standpunt. Daarbij wijst zij erop dat sinds de wetswijziging het direct-verbandcriterium niet langer onderdeel uitmaakt van de vrijstelling voor arbovoorzieningen. Onder de omstandigheden van deze zaak kunnen de kosten van de dga daarom onder de gerichte vrijstelling vallen. De kosten voor de partner van de dga vallen hier echter niet onder, omdat zij geen werknemer van de bv is.
Werkplek
De inspecteur betwist ook dat de voorzieningen op de werkplek zijn verbruikt. De rechtbank stelt vast dat arbovoorzieningen ook buiten de werkplek onder de gerichte vrijstelling kunnen vallen. Verder slaagt het standpunt van de inspecteur over de gebruikelijkheidstoets niet, omdat hij dit onvoldoende met data onderbouwt.
Wetswijziging vanaf 2022
Deze uitspraak heeft betrekking op de jaren 2018 t/m 2020. Per 2022 is de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen aangescherpt. Tot dat moment gold de vrijstelling voor voorzieningen die rechtstreeks voortvloeiden uit het arbobeleid van de werkgever. Vanaf 2022 geldt de vrijstelling alleen nog voor voorzieningen die direct samenhangen met een verplichting van de werkgever op grond van de Arbowet. Hierdoor is het de vraag of de kosten van een sportschoolabonnement en personal training na 2021 nog onder de gerichte vrijstelling kunnen vallen.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4935 | 03-07-2026
Een man en een vrouw zijn fiscale partners van elkaar. De inspecteur legt in 2016 aanslagen inkomstenbelasting op voor het jaar 2015. In 2018 lijdt de vrouw een ondernemingsverlies. Dit verlies wordt in 2020 achterwaarts verrekend met haar inkomen uit werk en woning van 2015, waardoor haar aanslag wordt verminderd.
Verzoek om herverdeling
De heffingskorting, die voor de verliesverrekening wel kon worden benut, kan de vrouw nu niet meer ten volle benutten. Daarom verzoeken de man en vrouw na de verliesverrekening in juli 2020 gezamenlijk om herverdeling van de grondslag sparen en beleggen voor 2015. De inspecteur wijst dit verzoek af. Herverdeling is niet meer mogelijk, omdat de aanslagen 2015 op het moment van het verzoek al onherroepelijk vaststaan. De rechtbank bevestigt dit standpunt.
Toch herverdeling?
Het hof is het hier in eerste instantie mee eens en stelt dat de wet helder is. Echter, het hof overweegt vervolgens dat de wetgever niet heeft voorzien dat achterwaartse verliesverrekening kan leiden tot onbenutte heffingskortingen en dat herverdeling dit effect niet kan wegnemen als de aanslag van de partner onherroepelijk is. Het hof acht het niet aannemelijk dat de wetgever dit gevolg heeft willen aanvaarden en vermindert de aanslag van de man.
Hoge Raad bevestigt onherroepelijkheid
De staatssecretaris stelt beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat het middel van de staatssecretaris slaagt. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die leiden tot gevolgen die de wetgever niet heeft voorzien en niet wil aanvaarden. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:913 | 11-06-2026
Een stichting ondersteunt de tuchtcolleges voor de advocatuur. De Nederlandse orde van advocaten (NOvA) betaalt hiervoor een jaarlijkse bijdrage. De stichting meent dat zij geen btw-ondernemer is, omdat zij niet zelfstandig opereert en haar diensten het algemeen belang dienen. De Hoge Raad oordeelt anders.
Driehoeksverhouding
De stichting is in 2015 opgericht om de tuchtcolleges te ondersteunen bij hun taak. Zij werft griffiers en administratief personeel, huurt zittingszalen en werkplekken, beheert de websites van de tuchtcolleges en doet de persvoorlichting. De griffiers zijn formeel in dienst bij de stichting, maar worden aangewezen en ontslagen door de tuchtcolleges zelf. Sinds 2018 betaalt niet langer de Staat, maar de NOvA de kosten van de tuchtrechtspraak. De stichting ontvangt daarom een jaarlijkse kostendekkende bijdrage van de NOvA. Aan de tuchtcolleges brengt zij niets in rekening.
Drie argumenten tegen btw-plicht
De stichting stelt zich op het standpunt dat zij geen btw verschuldigd is over de bijdrage van de NOvA. Ten eerste zou zij niet zelfstandig opereren, omdat zij organisatorisch verweven is met de tuchtcolleges en volledig afhankelijk is van hun aanwijzingen. Ten tweede zou zij niet deelnemen aan het economische verkeer, omdat haar specialistische diensten niet op een algemene markt worden aangeboden. Ten derde zou geen rechtstreeks verband bestaan tussen haar diensten en de bijdrage van de NOvA, omdat zij handelt in het algemeen belang van de rechtsstaat.
Zelfstandigheid
De Hoge Raad verwerpt alle drie de argumenten. Het begrip zelfstandigheid moet ruim worden uitgelegd. De stichting sluit in eigen naam contracten met leveranciers, onderhandelt zelf over de voorwaarden en gaat arbeidsovereenkomsten aan met haar personeel. Dat de griffiers formeel worden aangewezen door de tuchtcolleges en voor de inhoud van hun werk verantwoording aan hen verschuldigd zijn, doet hier niet aan af. Die wettelijke bepalingen beogen de onafhankelijkheid van de tuchtrechtspraak te waarborgen, niet de stichting ondergeschikt te maken aan de tuchtcolleges.
Economisch verkeer en rechtstreeks verband
Ook het argument dat de stichting niet deelneemt aan het economische verkeer slaagt niet. De diensten van de stichting omvatten meer dan alleen griffierswerkzaamheden. Zij verzorgt de volledige organisatie en coördinatie van de tuchtrechtspraak. Dergelijke ondersteunende diensten kunnen ook door andere partijen worden aangeboden. Dat de stichting statutair gebonden is aan de tuchtcolleges als enige afnemers, sluit deelname aan een algemene markt niet uit. Tot slot verwerpt de Hoge Raad het beroep op het algemeen belang. Het feit dat de tuchtrechtspraak de rechtsstaat en de maatschappij dient, betekent niet dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de diensten en de vergoeding. De tuchtcolleges zijn de identificeerbare verbruikers van de diensten en de bijdrage van de NOvA vormt de tegenprestatie. Het cassatieberoep is ongegrond.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:959 | 18-06-2026
Een vader overlijdt in november 2016 en laat zijn zoon en dochter achter als erfgenamen, ieder voor de helft van de nalatenschap. Tot de nalatenschap behoren alle aandelen in de bv van de vader die acht bedrijfspanden bezit in dezelfde plaats. Twee panden gebruikt de bv zelf, de overige zes worden verhuurd aan derden. De bv had voor het overlijden van de vader drie werknemers in dienst: de vader zelf, zijn partner en een medewerker die zorgt voor klein onderhoud en toezicht. De erfgenamen geven een ondernemingsvermogen aan van ruim € 3,1 miljoen en vragen toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (bor).
Waarom is de materiële onderneming zo belangrijk?
De bor biedt een voorwaardelijke vrijstelling van erfbelasting voor ondernemingsvermogen. Het doel van de regeling is om te voorkomen dat erfgenamen een familiebedrijf moeten verkopen om de erfbelasting te kunnen betalen. Een cruciale voorwaarde is echter dat de bv een materiële onderneming drijft in de zin van de Wet inkomstenbelasting. Bezit de bv alleen beleggingsvermogen, dan geldt de vrijstelling niet. Het onderscheid tussen ondernemen en beleggen is daarom van groot belang: bij een belaste verkrijging van ruim € 1,7 miljoen kan de vrijstelling honderdduizenden euro's aan erfbelasting schelen.
Meer dan normaal vermogensbeheer?
De zoon betoogt dat de bv wel degelijk een materiële onderneming dreef. Hij wijst op de opruimwerkzaamheden die nodig waren nadat een failliete huurder onbevoegd chemische stoffen had opgeslagen. Bovendien woonde de vader als beheerder op het terrein, wat volgens de zoon leidde tot lagere onderhoudskosten en een betere verhuurbaarheid. Ook hadden huurders verbouwingen uitgevoerd die de bv een hoger indirect rendement zouden opleveren. De inspecteur bestrijdt dat deze werkzaamheden het normale vermogensbeheer overstijgen.
Gewone verhuurwerkzaamheden
Het hof geeft de inspecteur gelijk. Bij de exploitatie van onroerende zaken is pas sprake van een onderneming als de verrichte arbeid naar aard en omvang meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Bovendien moet die arbeid onmiskenbaar ten doel hebben dat een rendement wordt behaald dat het normale rendement te boven gaat. De werkzaamheden van de bv voldoen niet aan deze dubbele maatstaf. Het opstellen van huurovereenkomsten, het onderhouden van contact met huurders, debiteurenbeheer, klachtenbehandeling en klein onderhoud zijn immers werkzaamheden die bij iedere verhuurder voorkomen. Dat de vader op het terrein woonde maakt dit niet anders, omdat de zoon niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit daadwerkelijk tot een hoger rendement leidde.
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:3418 | 26-05-2026
Een ondernemer mag jaarlijks maximaal 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen afschrijven. Dit percentage geldt voor de kosten exclusief btw, tenzij de btw niet kan worden teruggevraagd. Deze regel zorgt er in de meeste gevallen voor dat de afschrijving over een langere periode wordt gespreid.
Afschrijving en autokosten
Een ondernemer schaft een laptop, tablet en accessoires aan voor € 2.934, exclusief btw (€ 3.551 inclusief). In zijn aangifte neemt hij € 3.551 aan afschrijvingskosten op. De inspecteur corrigeert dit bedrag in de definitieve aanslag. Na bezwaar staat de inspecteur € 711 (20% van € 3.551) aan afschrijvingskosten toe.
Maximale afschrijving
De ondernemer stelt dat hij recht heeft op een hogere afschrijving. De rechtbank overweegt echter dat de afschrijvingsbasis € 2.934 exclusief btw is, omdat de ondernemer de btw op de computerkosten heeft teruggevraagd. De maximale jaarlijkse afschrijving bedraagt daar 20% van, wat neerkomt op € 587. De inspecteur heeft in de bezwaarfase al € 711 aan afschrijvingskosten toegestaan, wat dus al hoger is dan het wettelijk toegestane bedrag.
Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:15431 | 28-05-2026
De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief aangenomen. Dit wetsvoorstel wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek door het invoeren van een rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag uurtarief. Deze maatregel heeft als doel laagbetaalde zzp’ers, die vaak kwetsbare werkenden zijn, beter te beschermen tegen schijnzelfstandigheid.
Drempel en doel
Het rechtsvermoeden geldt voor zzp’ers die minder dan € 38 per uur (peildatum 1 januari 2026) verdienen. De introductie van dit vermoeden maakt het voor deze zzp’ers eenvoudiger om hun rechtspositie als werknemer op te eisen bij de werkgevende en, indien nodig, bij de rechter.
Gevolgen voor opdrachtgevers
Wanneer zzp’ers een beroep doen op dit rechtsvermoeden, moeten de opdrachtgevers aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Als opdrachtgevers dit niet kunnen bewijzen, is er sprake van schijnzelfstandigheid. In dat geval heeft de zzp’er recht op de bescherming die hoort bij iemand in loondienst, zoals recht op loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.
Bron: Overig | wetsvoorstel | 36.783 | 15-06-2026
Een bv brengt over de jaren 2014 tot en met 2017 forse bedragen aan voorbelasting in aftrek. Bij een boekenonderzoek blijkt dat zij voor een groot deel van die aftrek geen facturen kan overleggen. De bv verwijst naar haar grootboekkaarten, maar de inspecteur legt naheffingsaanslagen op van in totaal ruim € 64.000.
Forse aftrek, weinig facturen
De bv heeft over 2014 bijna € 70.000 aan voorbelasting in aftrek gebracht, verdeeld over de vier kwartalen. In de jaren daarna fluctueren de bedragen sterk: van slechts € 51 in het derde kwartaal van 2015 tot ruim € 13.000 in het tweede kwartaal van 2016. Bij het boekenonderzoek kan de bv echter alleen facturen overleggen voor managementvergoedingen. Die facturen onderbouwen slechts een klein deel van de geclaimde aftrek. Voor het overige beschikt de bv alleen over grootboekkaarten.
Was de naheffingsaanslag 2014 op tijd?
De bv voert aan dat zij de naheffingsaanslag 2014 pas begin januari 2020 heeft ontvangen, terwijl de naheffingstermijn op 31 december 2019 verstreek. Zij betwist dat de inspecteur de aanslag tijdig ter post heeft bezorgd. De inspecteur toont echter een verzendrapportage, waaruit blijkt dat de naheffingsaanslag op 24 december 2019 aan PostNL is aangeboden. De rechtbank acht daarmee aannemelijk dat de aanslag tijdig is verzonden naar het juiste adres. De naheffingsaanslag 2014 is dus binnen de termijn opgelegd. Dat de bv de aanslag pas in januari 2020 ontving, doet daar niet aan af.
Bewijslast rust op de ondernemer
De rechtbank beoordeelt vervolgens de aftrek van voorbelasting. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de bv recht heeft op aftrek van de btw op de facturen voor de managementvergoedingen. Het geschil spitst zich toe op de posten waarvoor geen facturen zijn. De bv verklaart zelf dat zij de aftrek voor deze posten alleen kan onderbouwen met grootboekkaarten. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is.
Factuur is vereiste voor aftrek
Een ondernemer kan de btw die andere ondernemers aan hem in rekening hebben gebracht alleen in aftrek brengen als die btw vermeld staat op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. Zonder factuur bestaat dus geen recht op aftrek, hoe overtuigend de grootboekkaarten ook mogen zijn. De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd. De vergrijpboeten worden wel vernietigd, omdat beide partijen het daarover eens zijn.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4871 | 02-06-2026
Een belastingaanslag waarbij voor de jaren 2017 tot en met 2020 te veel inkomstenbelasting in box 3 is geheven, hoeft niet te worden verminderd als die aanslag definitief is komen vast te staan vóór het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Dat heeft de Hoge Raad beslist in twee zaken die als proefprocedures waren voorgelegd.
Kerstarrest
In het Kerstarrest is geoordeeld dat het box 3-stelsel vanaf 2017 een inbreuk vormt op het discriminatieverbod en het eigendomsrecht als het fictieve rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Aanslagen moeten dan worden verminderd. De wettelijke regeling kent echter een uitzondering. Een vermindering vindt niet plaats als de onjuistheid van de aanslag voortvloeit uit rechtspraak die pas is gewezen nadat de aanslag definitief is geworden. De Hoge Raad heeft in 2022 al beslist dat het Kerstarrest 'nieuwe jurisprudentie' is.
Gelijke behandeling en evenredigheid
De Hoge Raad ziet geen reden terug te komen van zijn eerdere beslissing uit 2022. Personen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt, verkeren niet in dezelfde positie als wel-bezwaarmakers, waardoor van discriminatie geen sprake is. De uitzondering voor 'nieuwe jurisprudentie' is ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De doelen van rechtszekerheid en praktische overwegingen zijn legitiem en de nadelige gevolgen voor niet-bezwaarmakers zijn niet onevenredig. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden, zijn niet gesteld. Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:907 | 24-06-2026
Een vrouw overlijdt in 2022 en laat een testament na uit 1986. Daarin benoemt zij haar echtgenoot en dochter tot erfgenaam, ieder voor de helft. De echtgenoot krijgt een legaat tegen inbreng van de waarde en het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap. De dochter verkrijgt de bloot eigendom. De inspecteur legt een aanslag erfbelasting op van € 2.500, later verminderd tot € 2.444. De dochter maakt bezwaar.
Gebrouilleerde verhouding met vader
De dochter heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Zij heeft geen toegang tot de nalatenschap en de verhouding met haar vader is gebrouilleerd. Via haar gemachtigde vraagt zij de vader de erfbelasting te betalen. De vader laat via de executeur weten dat hij de erfbelasting niet wenst te betalen. De dochter stelt dat sprake is van een individuele en buitensporige last in de zin van het EVRM.
Beneficiaire aanvaarding ziet op schulden, niet op heffing
De rechtbank oordeelt dat de beneficiaire aanvaarding niet afdoet aan de verschuldigdheid van erfbelasting. De beneficiaire aanvaarding ziet uitsluitend op de aansprakelijkheid voor schulden van de nalatenschap, niet op de heffing van erfbelasting. Het moment van overlijden is bepalend voor de belastingschuld. De dochter is als erfgenaam erfbelasting verschuldigd over haar verkrijging van het bloot eigendom.
Weigering vader is civielrechtelijke kwestie
De rechtbank overweegt dat de erfbelasting in beginsel voor rekening van de vruchtgebruiker komt. Dat de vader de erfbelasting niet wenst te betalen, is echter een civielrechtelijke kwestie die niet afdoet aan het fiscale oordeel. De dochter heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij ook in de toekomst feitelijk niets meer zal verkrijgen van de erfenis. Van een individuele en buitensporige last is daarom geen sprake. De aanslag blijft in stand.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4356 | 18-05-2026
De voorlopige inhoud van het Belastingplan 2027-pakket geeft een eerste blik op de aanstaande wijzigingen. Het pakket Belastingplan 2027 omvat vier wetsvoorstellen, waaronder het Belastingplan 2027 zelf en het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2027, dat technische aanpassingen bevat zonder budgettaire gevolgen. Daarnaast zijn er wetsvoorstellen voor veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 en fiscale stimulering van startups en scale-ups.
Overdrachtsbelasting en btw
De overdrachtsbelasting voor particuliere investeerders daalt van 8% naar 7% per 1 januari 2027 voor woningen waarin de verkrijger niet zelf duurzaam gaat wonen. Ook komt er een nieuwe vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor woningcorporaties die DAEB-woningen aan elkaar overdragen. Het lage btw-tarief voor sierteeltproducten stijgt van 9% naar het algemene btw-tarief van 21% per 1 januari 2028.
Aftrekposten en accijnzen
De aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten wordt afgeschaft per 2028. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. De onbelaste reiskostenvergoeding stijgt met € 0,02 naar € 0,25 per kilometer, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. De korting op de brandstofaccijns voor benzine wordt verlengd in 2027, waarna het reguliere tarief per 1 januari 2028 weer van toepassing is. Vanaf 2027 worden de alcoholaccijnzen jaarlijks geïndexeerd.
Fiscale stimulering en overige maatregelen
Het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. De fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten onder de deelnemingsvrijstelling wordt aangepast om onevenwichtigheden weg te nemen. De accijnsteruggaafregeling voor bio- en hernieuwbare brandstoffen wordt per 1 januari 2027 beëindigd.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2026D28734 | 09-06-2026
Een adviseur begeleidt de sanering van een groep vennootschappen. De vennootschappen gaan failliet. De curator stelt de adviseur aansprakelijk voor de schade van de schuldeisers. Die schade bestaat grotendeels uit belastingschulden. De adviseur vindt dat die belastingschulden niet kloppen en wil dat de Ontvanger ze intrekt. Kan een buitenstaander de belastingschuld van een ander aanvechten?
Faillissement en Peeters/Gatzen-vordering
In 2006 gaan zeven vennootschappen failliet. De Ontvanger dient naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting in. De curator stelt de adviseur aansprakelijk namens de gezamenlijke schuldeisers wegens onrechtmatig handelen bij de sanering. Dit is een zogeheten Peeters/Gatzen-vordering: de curator vordert niet namens de boedel, maar namens alle schuldeisers gezamenlijk. Het hof wijst de vordering toe en veroordeelt de adviseur tot schadevergoeding. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
Nieuwe administratie duikt op
Jaren later krijgt de adviseur administratie in handen waaruit zou blijken dat de vennootschappen helemaal geen omzetbelastingschulden hadden. Hij probeert het arrest te laten herroepen. De Hoge Raad vernietigt de afwijzing van dat verzoek en wijst de zaak terug. Uiteindelijk schikken de adviseur en de curator. Maar daarmee is de kous niet af. De adviseur wil ook dat de Ontvanger de belastingaanslagen intrekt.
Ontvanger erkent kleine fout
De adviseur vraagt de Ontvanger de belastingaanslagen te toetsen op materiële verschuldigdheid. De Ontvanger erkent dat een bedrag van € 14.006 ten onrechte niet is verrekend, maar wijst het verzoek voor het overige af. De aanslagen zijn volgens hem niet onmiskenbaar onjuist. De adviseur stapt naar de burgerlijke rechter en eist intrekking plus schadevergoeding. De rechtbank en het hof wijzen de vorderingen af.
Ommezwaai bij verhaalsconcurrentie
De Hoge Raad zet de regels op een rij. Als de Ontvanger iemand aansprakelijk stelt voor de belastingschuld van een ander, mag die persoon de juistheid van de schuld bij de burgerlijke rechter betwisten. Nieuw is dat dit ook geldt bij verhaalsconcurrentie, de situatie waarin de Ontvanger en een andere schuldeiser beide verhaal zoeken op dezelfde schuldenaar. Op dit punt komt de Hoge Raad uitdrukkelijk terug van zijn in 2011 gewezen arrest Dumatrust/Ontvanger.
Adviseur vangt bot
De adviseur valt echter buiten deze categorieën. Hij is niet door de Ontvanger aansprakelijk gesteld en er is geen verhaalsconcurrentie. Het is de curator die hem aansprakelijk heeft gesteld. In zo'n geval moet de adviseur het uitvechten met de curator, niét met de Ontvanger. De Ontvanger handelt pas onrechtmatig als hij bij indiening of handhaving van de vordering wist, of na onderzoek had moeten weten, dat de aanslagen niet klopten. Dat is hier niet gebleken. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:817 | 28-05-2026
Een dga sluit een overeenkomst voor de aankoop van cryptotokens. De bv maakt het aankoopbedrag van € 250.000 over. De tokens blijken waardeloos. De bv wil het verlies ten laste van haar resultaat brengen. De inspecteur weigert de afwaardering. De overeenkomst staat immers op naam van de dga, niet op naam van de bv.
Investering in cryptomining
In 2018 wordt de dga benaderd door een bedrijf uit de Verenigde Arabische Emiraten. Het bedrijf wil geld ophalen voor een cryptominingonderneming. De dga krijgt een brochure met mooie rendementsvooruitzichten. Hij sluit een overeenkomst voor de aankoop van ruim 422 miljoen tokens voor € 250.000. De tokens geven recht op een maandelijks aandeel in de opbrengst van de mining. De bv maakt het bedrag over. In de jaarrekening 2018 van de bv worden de tokens opgenomen onder financiële vaste activa.
Investering blijkt waardeloos
Het blijkt echter dat er niets gebeurt met het geld. De cryptomining komt nooit van de grond. In mei 2020 bevestigt een van de betrokkenen per e-mail dat het project is mislukt en de investering waardeloos is. Een onderzoeksbureau concludeert in opdracht van de dga dat voldoende grond bestaat voor aangifte wegens oplichting. In de aangifte vennootschapsbelasting 2019 brengt de bv de volledige € 250.000 in aftrek als afwaardering van de tokens.
Overeenkomst staat op naam dga
De inspecteur weigert de aftrek. De overeenkomst is immers door de dga in privé gesloten, niet door de bv. Ook het ontvangstbewijs voor de tokens staat op naam van de dga. Dat de bv het bedrag heeft overgemaakt, maakt dit niet anders. De betaling kwalificeert als verkapte winstuitdeling aan de dga. De inspecteur legt een aanslag op naar een belastbaar bedrag van € 3.556.548 in plaats van de aangegeven € 3.306.548.
Hof volgt inspecteur
De curator van de inmiddels failliete bv gaat in beroep. Hij stelt dat de bv om zakelijke redenen in de tokens heeft geïnvesteerd, namelijk om handelstransacties in cryptovaluta te faciliteren. Het hof oordeelt dat de bewijslast bij de curator ligt. Uit de overeenkomst blijkt nergens dat de dga namens de bv handelde. De curator heeft ook geen e-mails of andere stukken uit 2018 overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken. De inspecteur had hier al vóór het faillissement om gevraagd. Dat de stukken er niet meer zijn, komt voor rekening van de bv. Bovendien heeft de accountant zich onthouden van een oordeel over de jaarrekening. De afwaardering is terecht geweigerd.
Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:1023 | 18-03-2026
Een echtpaar vraagt om herverdeling van de gezamenlijke inkomensbestanddelen over 2019. De inspecteur legt een navorderingsaanslag op aan de man en geeft een teruggaaf aan de vrouw. Bij de navorderingsaanslag brengt de inspecteur € 3.681 aan belastingrente in rekening, meer dan het echtpaar oorspronkelijk samen verschuldigd was. De man protesteert. Hij vindt het niet terecht dat de inspecteur bij een herverdeling meer belastingrente in rekening brengt.
Oorspronkelijk te weinig rente berekend
Hij wijst erop dat de totale belastingrente bij de oorspronkelijke aanslagen slechts € 2.675 bedroeg. Door de herverdeling stijgt zijn belastingrente dus fors. De inspecteur erkent echter dat hij bij de oorspronkelijke aanslagen een fout had gemaakt. Hij had de rente over een te korte periode berekend. Eigenlijk had de totale belastingrente € 6.889 moeten zijn. De man heeft dus juist voordeel gehad van de fout.
Beroep op EVRM en evenredigheid
De man stelt dat het percentage belastingrente in strijd is met hogere regelgeving. Hij beroept zich onder meer op het EVRM en het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. Daarin oordeelde de Hoge Raad weliswaar dat de belastingrente voor de vennootschapsbelasting te hoog is, maar dat dit niet geldt voor de inkomstenbelasting. Het rentepercentage is niet disproportioneel. De prikkel om tijdig en juist aangifte te doen is immers een legitiem doel.
Wijziging door verzoek, niet door bezwaar
Subsidiair beroept de man zich op het verbod van reformatio in peius. De belastingrente mag door het bezwaar niet hoger worden dan bij de oorspronkelijke aanslagen. De rechtbank gaat hier niet in mee. De belastingrente is namelijk gewijzigd als gevolg van het verzoek om een andere verdeling, niet door het bezwaar. Dat de inspecteur bij de oorspronkelijke aanslagen te weinig rente in rekening had gebracht, doet daar niet aan af. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3362 | 28-04-2026
De beslissing van de werkgever om een werknemer met een nulurencontract niet meer op te roepen voor werkzaamheden moet worden aangemerkt als een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer is sinds 1 oktober 2024 in dienst. Na augustus 2025 roept de werkgever hem niet meer op voor werkzaamheden. De werknemer spreekt zijn werkgever hierop aan en verzoekt betaling van achterstallig salaris, transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. De werkgever weigert betaling en stelt dat de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, maar dat zij slechts is gestopt met oproepen.
Onregelmatige opzegging
Het blijvend niet meer oproepen voor werkzaamheden door de werkgever komt neer op een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Omdat de werknemer niet heeft ingestemd en de opzegtermijn niet in acht is genomen, is sprake van een onregelmatige opzegging. Wanneer een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt vermoed dat de bedongen arbeid in enige maand een omvang heeft die gelijk is aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden De werknemer heeft aannemelijk gemaakt dat hij structureel meer uren werkte dan de nul uren uit het contract. De werkgever heeft dit vermoeden niet weerlegd en heeft geen deugdelijke urenregistratie overgelegd. De kantonrechter gaat daarom uit van de gestelde en met werkbriefjes onderbouwde arbeidsomvang van 43,5 uur per week.
Loon en vergoedingen
De vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding worden toegewezen. Ook het achterstallig salaris over juli en augustus en het opgebouwde vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke verhoging, worden toegewezen. De wettelijke rente over deze bedragen wordt eveneens toegewezen. De loonvordering vanaf september 2025 tot 24 november 2025 wordt afgewezen. De werknemer heeft zich niet beschikbaar gehouden voor werkzaamheden na het starten van een nieuwe baan. De werkgever moet binnen één maand correcte bruto/netto-specificaties verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 50 per dag tot maximaal € 1.000.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:4327 | 23-04-2026
Een Poolse ondernemer exploiteert een klusbedrijf en verricht renovatie-, stukadoors- en schilderwerk in Nederland. Hij verblijft afwisselend in Polen en Nederland: twee weken daar, drie weken hier. De inspecteur legt over 2017 en 2018 navorderingsaanslagen op en over 2019 een aanslag. De ondernemer stelt dat hij geen vaste inrichting heeft in Nederland en dat de winst dus niet in Nederland belastbaar is.
Woonplaats in Polen, werkzaamheden in Nederland
De ondernemer woont in Polen, maar staat jarenlang ingeschreven op diverse Nederlandse adressen. De ondernemer en de inspecteur zijn het erover eens dat Polen op basis van het belastingverdrag als woonland geldt. De vraag is of Nederland mag heffen over de winst uit de hier verrichte werkzaamheden.
Woning is vaste inrichting
De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse woning waar de ondernemer verblijft een vaste inrichting vormt. De ondernemer is de enige die werkzaam is voor de onderneming. Tijdens zijn verblijf in Nederland voert hij niet alleen klussen uit, maar heeft hij ook afspraken met klanten, maakt hij offertes en sluit hij overeenkomsten. De rechtbank acht aannemelijk dat in de woning werkzaamheden worden verricht zoals klantcontact en het bijhouden van de administratie.
Eenmanszaak kan zichzelf vertegenwoordigen
De ondernemer betoogt dat een eenmanszaak zichzelf geen machtiging kan verlenen en dat daarom artikel 5 lid 5 van het belastingverdrag niet van toepassing kan zijn. De rechtbank verwerpt dit betoog. Doel en strekking van de bepaling is dat sprake is van een vaste inrichting wanneer iemand rechtsgeldig namens de onderneming kan optreden en de onderneming kan binden. Een interpretatie waarbij alleen een werknemer of een derde een vaste inrichting zou vormen, maar de ondernemer zelf niet, acht de rechtbank niet in overeenstemming met deze strekking.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4373 | 19-05-2026
Een recyclingbedrijf betaalt in 2017 ruim € 1 miljoen aan twee bv's voor de levering van cacaoveegsel en steigermateriaal. De FIOD vermoedt dat geen goederen zijn geleverd en dat het om witwassen gaat. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Toch legt de inspecteur een navorderingsaanslag op. Mag dat na een vrijspraak? En wat betekent de vrijspraak voor de vergrijpboete?
Opmerkelijke transacties
Het recyclingbedrijf maakt deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In 2017 stelt het bedrijf creditfacturen op aan twee bv's: € 325.000 voor cacaoveegsel en € 753.280 voor steigermateriaal. Het bedrijf betaalt deze bedragen aan de twee bv's en brengt ze als inkoopkosten in aftrek. De FIOD doet onderzoek. De twee bv's blijken holdings te zijn zonder activiteiten in de recyclingbranche. Weegbonnen, vrachtbrieven en andere documenten die de leveringen onderbouwen, ontbreken. De dga verklaart dat hij niet weet van wie de goederen afkomstig zijn en dat hij geen contactpersoon heeft bij een van de bv's.
Vrijspraak voor witwassen en valsheid in geschrifte
Het recyclingbedrijf wordt vervolgd voor witwassen en valsheid in geschrifte. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Er zijn weliswaar aanwijzingen dat een goederenstroom ontbreekt, maar er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de facturen vals zijn. De inspecteur legt desondanks een navorderingsaanslag op van ruim € 1 miljoen aan gecorrigeerde winst, plus een vergrijpboete van € 129.785.
Belastingrechter oordeelt zelfstandig
De rechtbank oordeelt dat de strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg staat aan de navorderingsaanslag. De belastingrechter vormt zelfstandig een oordeel over de feiten en is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. De bewijslast voor de inkoopkosten rust op het bedrijf. Het bedrijf slaagt daar niet in. De creditfacturen zijn door het bedrijf zelf opgesteld en worden niet ondersteund door achterliggende stukken of een geloofwaardige verklaring. Bij een kostenpost van ruim € 1 miljoen mag worden verwacht dat deze kan worden onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens.
Boete sneuvelt op onschuldpresumptie
Voor de vergrijpboete geldt een ander regime. De inspecteur moet overtuigend aantonen dat sprake is van opzet. Hij baseert zich uitsluitend op de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek en heeft geen aanvullend onderzoek verricht. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur daarmee niet in zijn bewijslast slaagt. De boete verwijt het bedrijf in wezen dat het valse facturen heeft gebruikt. Dat uitgangspunt is na de strafrechtelijke vrijspraak in strijd met de onschuldpresumptie. De rechtbank vernietigt daarom de boete.
Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 | 23-04-2026
Een man ontvangt een aanzienlijke nabetaling van het UWV. De rechtbank concludeert dat de man de nabetaling fiscaal heeft genoten in 2020. Dit komt doordat hij het geld pas in dat jaar in één keer heeft ontvangen en er eerder onzekerheid bestond over zijn recht op de uitkering. Volgens de wet is het genietingsmoment van loon ineens het moment van nabetalen. De rechtbank kan deze situatie niet veranderen, omdat dit een keuze van de wetgever is. De aanslag klopt dan ook.
Te weinig loonbelasting
De rechtbank heeft wel sterk het vermoeden dat het UWV veel te weinig loonheffing heeft ingehouden op de nabetaling. Het is immers erg onwaarschijnlijk dat er maar € 2.373 aan loonheffing drukt op een brutoloonbedrag van € 30.638. De rechtbank denkt dus dat er op de een of andere manier achter de schermen bij het UWV iets is misgegaan. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat het UWV tijdens de procedure over het uitkeringsrecht wel gewoon elke maand (of elke vier weken) een loonstrook heeft gedraaid, maar steeds het nettobedrag dat onderaan die strook staat heeft achtergehouden in afwachting van de procedure. Toen die procedure was afgerond, zijn eenvoudigweg alle achterstallige bedragen bij elkaar opgeteld en heeft het UWV de opgetelde netto bedragen aan de man uitbetaald. De opgetelde brutobedragen en de opgetelde inhoudingen van loonheffing zijn vervolgens doorgegeven aan de Belastingdienst. Als dat klopt, zou dat verklaren waarom het UWV zo weinig loonheffing heeft ingehouden.
Klacht en middeling
De rechtbank vindt het te ver gaan om op dit punt zelf actie te ondernemen richting het UWV, maar de man zou dat wel kunnen doen, bijvoorbeeld door het klachtenformulier in te vullen. Daarbij kan de man dan de uitspraak van de rechtbank meesturen, zodat het UWV begrijpt waar de crux zit. Daarnaast zou een verzoek tot middeling tot een teruggaaf voor de man kunnen leiden. Daarmee wordt dan een deel van de pijn verzacht. De rechtbank heeft de stukken van de man tegelijk met de uitspraak naar de inspecteur gestuurd, zodat de inspecteur het verzoek om middeling met inachtneming van de informatie uit de uitspraak in behandeling kan nemen.
Bron: Rechtbank Midden-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2024:2177 | 05-06-2026
Een vrouw woont in 2019 en 2020 in Italië en ontvangt in die jaren een Ziektewet-uitkering van het UWV. De vrouw doet aangifte voor beide jaren, waarin zij de uitkeringen als 'elders belast' op nihil stelt. De inspecteur legt de aanslagen geautomatiseerd op, conform de aangiften. Later maakt de vrouw bezwaar tegen de aanslag 2020, waarin zij stelt dat zij geen inkomen in Nederland ontvangt. De inspecteur kondigt vervolgens navorderingsaanslagen aan voor 2019 en 2020, omdat Nederland volgens hem wel heffingsrecht heeft over de ZW-uitkeringen.
Grond voor navordering
De inspecteur stelt dat sprake is van een kenbare fout. De aangiften zijn geautomatiseerd afgedaan en niet handmatig beoordeeld. De rechtbank overweegt dat navordering mogelijk is als een aanslag te laag is vastgesteld door een fout van de vrouw, tenzij de inspecteur de fout welbewust heeft geaccepteerd. Dat laatste is niet het geval. De aanslagen zijn te laag vastgesteld door de geautomatiseerde aanslagregeling, niet door een onjuist inzicht van de inspecteur. Omdat het verschil tussen de aanslagen en de verschuldigde belasting meer dan 30% bedraagt, wordt aangenomen dat de fouten voor de vrouw redelijkerwijs kenbaar waren. De rechtbank oordeelt dat er een geldige navorderingsgrond is.
Verbod op verslechtering
De vrouw stelt dat zij door het instellen van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen (het verbod van 'reformatio in peius'). De navorderingsaanslagen zijn immers opgelegd naar aanleiding van haar bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur dit verbod niet heeft geschonden. De wetgever heeft niet bedoeld dat het verbod ook geldt als er een zelfstandige grond voor navordering bestaat. Aangezien de inspecteur bevoegd was om navorderingsaanslagen op te leggen, levert het gebruikmaken van deze bevoegdheid geen strijd op met het verbod.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4358 | 18-05-2026
De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen aangenomen. De wet creëert flexibiliteit door rechtspersonen toe te staan te kiezen voor fysieke, hybride of volledig digitale vergaderingen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
Volledig digitale vergadering mogelijk
De wet maakt het mogelijk voor nv's, bv's, verenigingen, vve's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen om een volledig digitale algemene vergadering te houden. Deze optie bestaat naast de al bestaande fysieke en hybride vergaderingen. De regeling is facultatief. Rechtspersonen kunnen zelf de vergadervorm kiezen.
Aangescherpte voorwaarden voor digitale en hybride vergaderingen
Voor de meeste rechtspersonen (nv's, bv's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen) is een statutenwijziging vereist om digitaal te vergaderen. Verenigingen en vve's kunnen volstaan met een machtiging van de algemene vergadering, om zo kosten voor een statutenwijziging te vermijden. Deelnemers moeten de vergadering rechtstreeks kunnen volgen met beeld en geluid en met beeld en geluid kunnen deelnemen aan de beraadslaging via een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel. Dit is een aanscherping van de huidige regels voor hybride vergaderingen. Identificatie van deelnemers en de mogelijkheid tot rechtstreekse uitoefening van het stemrecht blijven verplicht. De procedure hiervoor moet in de oproeping worden vermeld. Rechtspersonen moeten rekening houden met leden met beperkte digitale vaardigheden en zo nodig praktische ondersteuning bieden.
Vereenvoudigde digitale oproeping
Het instemmingsvereiste voor het elektronisch oproepen van leden of aandeelhouders vervalt. Niet-beursgenoteerde nv's mogen voortaan ook oproepen via een langs elektronische weg openbaar gemaakte aankondiging, bijvoorbeeld op de website, in plaats van via een landelijk dagblad. De oproeping moet informatie bevatten over de procedure voor deelname aan de digitale vergadering en het uitoefenen van het stemrecht.
Bron: Ministerie van Justitie en Veiligheid | wetsvoorstel | 36489 | 01-06-2026
Een dga verkoopt zijn aandelen voor € 5.000. De koper neemt ook zijn rekening-courantschuld van € 287.000 over. De inspecteur telt die schuld op bij de overdrachtsprijs en legt een navorderingsaanslag op naar een ab-inkomen van ruim € 274.000. Te gortig, vindt de dga. De schuld was toch nooit meer in te lossen. Het hof geeft hem deels gelijk. De schuld telt mee, maar niet tegen de nominale waarde.
Niet onder normale omstandigheden
Het hof oordeelt dat sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. De dga verkoopt aandelen met een eigen vermogen van ruim € 271.000 voor slechts € 5.000. De accountant heeft de winstreserves niet meegenomen in zijn taxatie. Hieruit volgt dat de dga de koper heeft willen bevoordelen. In dat geval mag de inspecteur de overeengekomen prijs negeren en uitgaan van de waarde in het economisch verkeer.
Schuld telt mee
De inspecteur stelt dat de overgenomen schuld onderdeel is van de tegenprestatie. Hij telt de nominale waarde van € 287.419 op bij de verkoopprijs van € 5.000 en trekt daar de verkrijgingsprijs van € 18.151 van af. Zo komt hij op een ab-voordeel van € 274.268. De dga betwist dit. Hij stelt dat de schuld nooit meer was af te lossen en daarom geen waarde vertegenwoordigt.
Nominale waarde niet aannemelijk
Het hof volgt de inspecteur niet volledig. De schuld is weliswaar opgelopen tot € 287.419, maar dat betekent niet dat de waarde ervan gelijk is aan dit bedrag. De schuld was niet opeisbaar, er was geen rente verschuldigd en er waren geen zekerheden gesteld. Bovendien was de dga ten tijde van de verkoop 54 jaar en kampt hij met gezondheidsbeperkingen. Het hof acht aannemelijk dat de schuld grotendeels oninbaar zou zijn geweest.
Overwaarde als maatstaf
De dga stelt dat de waarde van de schuld nihil is, maar ook dát maakt hij niet aannemelijk. Hij bezit namelijk een eigen woning met een WOZ-waarde van € 249.000 en een hypotheekschuld van € 200.000. Daarmee is sprake van € 49.000 aan overwaarde. Het hof stelt de waarde van de schuld vast op dit bedrag. Het ab-voordeel komt daarmee uit op € 35.849, zijnde de verkoopprijs van € 5.000 plus de waarde van de schuld van € 49.000, minus de verkrijgingsprijs van € 18.151.
Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:807 | 24-03-2026
Twee vennoten handelen via een vof in Amerikaanse auto-onderdelen. Na een computercrash raken zij hun administratie kwijt. Om de aangifte sluitend te krijgen, waarderen zij de voorraad tegen actuele prijzen in plaats van de historische kostprijs. Het verschil boeken zij via de kapitaalrekening. De inspecteur accepteert dit niet. De herwaardering hoort in de winst. De ondernemer verweert zich met een beroep op de foutenleer.
Vermogenssprong
De inspecteur constateert dat het eindvermogen van de vof per 31 december 2018 niet aansluit bij het beginvermogen per 1 januari 2019. Het verschil bedraagt € 219.384. De ondernemer verklaart dat dit komt door een computercrash, waardoor veel gegevens verloren zijn gegaan. Om de administratie te kunnen reconstrueren, heeft hij de voorraad gewaardeerd tegen de actuele inkoopprijzen per 1 januari 2021 in plaats van de historische kostprijs. Het verschil heeft hij geboekt op de kapitaalrekening van de andere vennoot.
Historische kostprijs is de norm
De inspecteur stelt dat voorraad fiscaal moet worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs. Een herwaardering naar actuele prijzen is in strijd met goed koopmansgebruik. Bovendien mag een herwaardering niet via de kapitaalrekening lopen, maar hoort zij thuis in de winst- en verliesrekening. Door de voorraad op te waarderen en het verschil buiten de winst te houden, verantwoordt de vof in latere jaren een te lage brutomarge en dus te weinig winst.
Correctie beperkt
De inspecteur corrigeert aanvankelijk het volledige verschil, maar herziet zijn standpunt in bezwaar. Uit de administratie blijkt dat de voorraad per 1 januari 2019 is gewaardeerd op € 340.000, terwijl de balans per 31 december 2018 een voorraad vermeldt van € 177.968. Het verschil van € 162.032 is via de kapitaalrekening geboekt in plaats van via de winst. De inspecteur corrigeert daarom dit bedrag. Omdat de ondernemer voor 50% gerechtigd is tot de winst, bedraagt zijn correctie € 81.016.
Foutenleer biedt geen soelaas
De ondernemer stelt dat de oorzaak van het verschil in oude jaren ligt en dat een eventuele correctie daar moet plaatsvinden. De rechtbank verwerpt dit betoog. Ook als de fout in eerdere jaren is ontstaan, kan de inspecteur deze op grond van de foutenleer corrigeren in het oudste nog openstaande jaar. Dat is hier 2019. De totaalwinst moet immers worden belast. Een vermogenssprong die buiten de heffing blijft, is daarmee uitgesloten.
Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3452 | 30-04-2026
Vanaf 2027 krijgen werkgevers geen geld meer terug van de overheid voor de transitievergoeding die ze betalen bij ontslag als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Dit geldt ook voor de compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging vanwege pensionering of overlijden van de werkgever. Aanvankelijk werd voorgesteld de regeling te beperken tot kleine werkgevers. Het kabinet heeft nu voor een algehele afschaffing gekozen.
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetswijziging | 2026Z11419 | 28-05-2026
Per 1 september 2026 wordt het tarief van de vrachtwagenheffing met 22,3% verlaagd. De vrachtwagenheffing treedt op 1 juli 2026 in werking en geldt voor alle vrachtwagens, zowel uit binnen- als buitenland. Eigenaren van vrachtwagens gaan een bedrag per gereden kilometer betalen. Door de tijdelijke korting daalt het gemiddelde tarief van € 0,191 naar € 0,148 per kilometer. De verlaging geldt voor alle categorieën vrachtwagens en loopt tot eind 2026.
Bron: Ministerie van Financiën | besluit | 25-05-2026
Een yogalerares schrijft zich in februari 2020 in bij de KVK. In haar aangifte vermeldt zij een verlies uit onderneming. Dit bedrag is opgebouwd uit een omzet van € 203, verminderd met zelfstandigenaftrek en startersaftrek en verhoogd met de MKB-winstvrijstelling. Zij vermeldt geen kosten of bedrijfsmiddelen op de balans.
Correctie door de inspecteur
De inspecteur merkt de omzet van € 203 aan als resultaat uit overige werkzaamheden en past de ondernemersfaciliteiten niet toe. De vrouw maakt bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard. Ook de rechtbank verklaart haar beroep ongegrond.
Winst uit onderneming
Een onderneming vereist een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om voordeel te behalen. Cruciaal is dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten moet zijn. Bij de beoordeling hiervan wordt onder meer gekeken naar de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de beschikbare tijd, ondernemersrisico, de omvang van inkomsten en investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.
Geen objectieve winstverwachting
De lerares maakt niet aannemelijk dat zij een onderneming drijft. De omzet (van € 203) is marginaal en er zijn geen kosten of investeringen vermeld. Haar urenoverzichten bestaan uit ronde getallen en veel activiteiten zijn als vrijwilligerswerk omschreven. Er is geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel. Ook uit de aangiften van latere jaren blijkt geen redelijke winstverwachting. Daarom komt de vrouw niet in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek.
Urencriterium
De vrouw stelt dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, onder meer door haar niet te wijzen op het versoepelde urencriterium en door de uitspraak op bezwaar te snel te doen. De inspecteur heeft echter niet onzorgvuldig gehandeld. Het urencriterium is niet relevant als er geen sprake is van een onderneming. Bovendien heeft de vrouw voldoende tijd gehad om aanvullende informatie te verstrekken, maar heeft zij dit niet gedaan.
Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:1134 | 13-04-2026
Een man start in 2011 met de handel in auto's. Hij schrijft zich in bij de KVK en begint vol goede moed. De handel loopt echter niet goed naast zijn drukke baan in loondienst. Al vanaf het eerste jaar lijdt hij verlies. De omzet daalt van bijna € 98.000 in 2011 naar nihil in 2014. In 2016 en 2017 is er opnieuw geen omzet, maar wel kosten. Wanneer zijn vrouw ernstig ziek wordt, stopt de man definitief. Hij erkent achteraf dat de activiteiten voortkwamen uit een hobby en nooit echt goed van de grond zijn gekomen.
Geen onderzoek
De man dient eind 2017 zijn aangifte 2016 in, met een ondernemingsverlies van ruim € 4.500. De inspecteur legt de aanslag op conform de aangifte. Hij vergelijkt de aangifte niet met de aangiften van voorgaande jaren en doet geen nader onderzoek. Vier maanden later draait de Belastingdienst een landelijke query vanuit het project 'bronbeoordeling en starters'. De man komt in die query terecht. Nu pas besluit de inspecteur te onderzoeken of wel sprake is van een bron van inkomen.
Voordeelverwachting
Voor een bron van inkomen gelden drie vereisten: deelname aan het economisch verkeer, het oogmerk om voordeel te behalen en de objectieve verwachting dat voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. Aan de eerste twee vereisten is voldaan. Maar het hof oordeelt dat een objectieve voordeelverwachting ontbreekt. Vanaf de start in 2011 zijn uitsluitend negatieve resultaten behaald bij een omzet die daalde tot nihil. De activiteiten vormen daarom geen bron van inkomen. De verliezen zijn niet aftrekbaar van het inkomen uit werk en woning.
Inspecteur had moeten twijfelen
Een inspecteur moet bij het opleggen van een aanslag de aangifte vergelijken met de gegevens in het dossier, waaronder de aangiften van voorgaande jaren. In die aangiften stond jaar na jaar verlies. De inspecteur had in redelijkheid moeten twijfelen aan de juistheid van het aangegeven ondernemingsverlies. Hij had vóór het opleggen van de aanslag 2016 nader onderzoek moeten doen. Door het nadere onderzoek na te laten begaat hij een ambtelijk verzuim. Dat sluit navordering uit.
Query bevestigt het verzuim
Het hof ziet een bevestiging in het feit dat de inspecteur naar aanleiding van de query wél tot onderzoek overging. Die query bevatte dezelfde informatie over de jarenlange verliezen als de aangiften. Zonder afdoende verklaring valt niet in te zien waarom de query wel aanleiding gaf tot onderzoek en de aangiften niet. De navorderingsaanslag 2016 wordt vernietigd. De aanslag 2017 blijft in stand, want die was nog niet definitief opgelegd toen de inspecteur het onderzoek startte.
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:2734 | 20-04-2026
Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe zijn werkzaamheden behoren. De Regeling Wfsv bevat een bijlage waarin per sector de bijbehorende bedrijfstakken zijn opgesomd. Als een activiteit hier niet bijstaat, dan worden de werkzaamheden ingedeeld bij de sector waarin de werkzaamheden worden verricht die naar de aard het meest overeenkomen. Dit heet assimilatie. Niet de naam van het bedrijf of de cao is bepalend, maar de feitelijke activiteiten.
Ruwbouw of afbouw?
Een werkgever die spanplafonds plaatst, valt onder de cao afbouw. De Belastingdienst deelt hem toch in bij sector 17: detailhandel en ambachten. De werkgever protesteert. Hij is van mening dat hij hoort bij sector 3: bouwbedrijf. Het hof analyseert de bedrijven in sector 3. Die hebben gemeen dat zij zich richten op de ruwbouw, het constructieve deel van een bouwwerk. Denk aan burgerlijke en utiliteitsbouw, wegenbouw, heiersbedrijven en dakdekkers. Bedrijven die zich richten op afbouw zijn juist ingedeeld bij andere sectoren. Het woningstoffeerdersbedrijf en behangersbedrijf vallen onder sector 17, het schildersbedrijf onder sector 56 en het stukadoorsbedrijf onder sector 57. Dit onderscheid tussen ruwbouw en afbouw blijkt een belangrijk criterium.
Stofferen van plafonds
De werkgever plaatst spanplafonds: plafonds van gespannen kunststofdoek onder bestaande plafonds. Dat is geen ruwbouw. Het hof ziet juist overeenkomst met het woningstoffeerdersbedrijf. De werkgever bekleedt immers ruimten, in het bijzonder plafonds, met een stof, in dit geval kunststof. De indeling bij sector 17 is daarom terecht.
Cao niet van belang
De werkgever voert aan dat hij onder de cao afbouw valt. Het hof passeert dit argument. Bij de sectorindeling is niet van belang onder welke cao de werkgever valt. Het gaat uitsluitend om de aard van de werkzaamheden. Dit is een belangrijk punt voor werkgevers die denken dat hun cao-indeling automatisch ook hun sectorindeling bepaalt. Dat is niet zo.
En systeemplafonds dan?
De werkgever beroept zich ook nog op het gelijkheidsbeginsel. De Belastingdienst hanteert beleid waarin systeemplafonds wél bij de bouw worden ingedeeld. Waarom spanplafonds dan niet? Het hof oordeelt dat spanplafonds en systeemplafonds verschillende systemen zijn met verschillende werkzaamheden. Van gelijke gevallen is geen sprake. Een beroep op beleid voor vergelijkbare bedrijven slaagt alleen als de werkzaamheden ook echt vergelijkbaar zijn.
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:2744 | 20-04-2026
Een ontvanger die uitstel van betaling verleent, moet rekening houden met de belangen van derden die aansprakelijk kunnen worden gesteld. Hij mag niet met minder zekerheid genoegen nemen dan hij zou doen als er geen derden aansprakelijk gesteld kunnen worden. Doet hij dat toch, dan verliest hij de bevoegdheid om die derden aan te spreken. De bewijslast ligt bij de ontvanger. Hij moet aantonen dat niet meer zekerheid te krijgen was.
Betalingsproblemen vanaf het begin
Een transportbedrijf leent personeel in van een uitzendbureau. Het uitzendbureau gaat failliet met onbetaalde belastingschulden. Het uitzendbureau kende al sinds de oprichting in 2015 betalingsproblemen. In 2017 verleent de ontvanger uitstel van betaling voor ruim € 644.000 aan belastingschulden. Hij bedingt zekerheid via een pandrecht op vorderingen en spreekt een betalingsregeling af van € 75.000 per maand. Het uitzendbureau houdt zich aan de regeling tot mei 2018. Dan stoppen de betalingen. De ontvanger trekt het uitstel in en start de dwanginvordering.
Factoringovereenkomst nooit opgevraagd
In september 2018 legt de ontvanger beslag op de inventaris van het uitzendbureau. Die wordt later verkocht voor nog geen € 8.000. Er volgen gesprekken. Het uitzendbureau biedt een debiteurenlijst van € 4,5 miljoen als zekerheid aan. De ontvanger vraagt om de factoringovereenkomst, maar het uitzendbureau stuurt die niet. Toch accepteert de ontvanger in november 2018 een pandrecht op de vorderingen. Hij vertrouwt op de verklaring van het uitzendbureau dat de vorderingen niet al zijn bezwaard.
Pandrecht blijkt waardeloos
Het uitzendbureau komt de betaalafspraken niet na. Er volgt een kort geding. Het uitzendbureau zou € 6,9 miljoen betalen, maar dat blijft uit. De ontvanger maakt het pandrecht openbaar en vraagt het faillissement aan. In maart 2019 is het uitzendbureau failliet. Dan blijkt dat het uitzendbureau al in 2017 een groot deel van haar vorderingen had gecedeerd aan een Luxemburgse vennootschap. Het pandrecht was dus grotendeels waardeloos. In juli 2022 stelt de ontvanger het transportbedrijf aansprakelijk voor ruim € 109.000 aan onbetaalde loon- en omzetbelasting.
Ontvanger had moeten doorvragen
De ontvanger wist al in september 2018 van de factoringovereenkomst. Hij heeft die overeenkomst nooit ontvangen, maar toch een pandrecht geaccepteerd. Van een zorgvuldig handelend ontvanger mag worden verwacht dat hij nagaat of de verpander bevoegd is. De verwijzing naar de verklaring van het uitzendbureau is onvoldoende. De ontvanger heeft feitelijk uitstel van betaling verleend zonder adequate zekerheid.
Bevoegdheid tot aansprakelijkstelling verloren
De ontvanger maakt niet aannemelijk dat hij niet met minder zekerheid genoegen heeft genomen dan van hem verwacht mocht worden. Hij heeft ook niet aangetoond dat geen andere zekerheden te bedingen waren. Het hof oordeelt dat de ontvanger de bevoegdheid heeft verloren om het transportbedrijf aansprakelijk te stellen. De beschikking aansprakelijkstelling wordt vernietigd.
Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1076 | 21-04-2026
Een turboliquidatie is een snelle manier om een bv, nv, stichting of andere rechtspersoon te ontbinden. Dit kan alleen als er geen baten meer in de onderneming zitten. Dat wil zeggen dat de rechtspersoon geen activiteiten meer uitvoert én geen bezittingen meer heeft. Een stichting voor postduivenfokkers wordt in 2017 op deze manier ontbonden. Althans, dat was de bedoeling. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op van ruim € 350.000. Kunnen die aanslagen nog wel worden opgelegd aan een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan?
Ontbinding zonder vereffening
De stichting is opgericht in 2012. Haar doel is het bevorderen van het fokken en het beschermen van postduiven. De bestuurders zijn een man, zijn echtgenote en zijn zus. Op 31 december 2017 besluit het bestuur tot ontbinding. Bij de Kamer van Koophandel vult het bestuur formulier 17a in. Daarin staat dat de stichting geen baten heeft. Een vereffening vindt niet plaats.
Aangiften vertellen een ander verhaal
De stichting dient na de ontbinding nog aangiften vpb in. In de aangifte over 2017 staat € 19.449 aan activa vermeld. Ook in de aangiften over 2018 en 2019 staat dit bedrag, nu als liquide middelen. Dat is opmerkelijk voor een rechtspersoon die zegt geen baten te hebben. De FIOD verstrekt informatie aan de inspecteur en een boekenonderzoek volgt. Op 17 december 2019 legt de inspecteur navorderingsaanslagen vpb op over 2014 en 2015 en een aanslag over 2016. De belastingdeurwaarder betekent de aanslagen aan de bestuurder op het laatst bekende adres.
Registratie KVK is geen bewijs
Het hof oordeelt dat de registratie bij de KVK niet bewijst dat de rechtspersoon daadwerkelijk is opgehouden te bestaan. Die mededeling moet ook juist zijn. Partijen kunnen het vermoeden dat de mededeling juist is, ontzenuwen. De inspecteur slaagt daarin. Uit de aangiften over 2017, 2018 en 2019 blijkt dat de stichting wel degelijk baten had. In 2023 stonden nog steeds twee bankrekeningen op haar naam met een totaalsaldo van ruim € 19.000.
Turboliquidatie werkt alleen zonder baten
De stichting stelt dat zij een turboliquidatie heeft toegepast. Daarmee staat volgens het hof vast dat het vermogen niet is vereffend. Een turboliquidatie werkt alleen als er werkelijk geen baten zijn. Dat was hier niet het geval. De stichting wist, óf had moeten weten, dat de mededeling aan de Kamer van Koophandel niet juist was. Zij diende immers zelf na de ontbinding nog aangiften vpb in, waarin zij activa vermeldde. Een beroep op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel slaagt daarom niet. De stichting is ontbonden maar niet opgehouden te bestaan.
Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:812 | 24-03-2026
Twee broers drijven een koolverwerkingsbedrijf in maatschapsvorm. Op 30 maart 2020 voeren zij een omvangrijke herstructurering door. Ieder richt een persoonlijke holding op en brengt zijn maatschapsaandeel daarin in. De holdings richten vervolgens een gezamenlijke bv op waarin zij ieder 50% van de aandelen houden. De holdings brengen vervolgens hun maatschapsaandeel in die gezamenlijke bv in. Die bv richt op haar beurt een werk-bv op en brengt de onderneming daarin in. Het bedrijfspand met stille reserves blijft achter in de gezamenlijke bv. Dit alles gebeurt op dezelfde dag.
Geheel van rechtshandelingen
De inspecteur wijst het verzoek om geruisloze omzetting af. De inbreng maakt deel uit van een geheel van rechtshandelingen, gericht op overdracht van de onderneming. De geruisloze omzetting vereist dat de onderneming wordt voortgezet door de entiteit waarin wordt ingebracht. In dit geval is dat de persoonlijke holding, maar die zet de onderneming niet voort. De onderneming belandt uiteindelijk in de werk-bv.
Geen fiscale eenheid, geen bedrijfsfusie
Het Besluit geruisloze omzetting biedt een escape: de dooroverdracht staat niet in de weg aan de faciliteit als sprake is van een fiscale eenheid of een bedrijfsfusie. Bij een belang van 50% is een fiscale eenheid tussen de persoonlijke holding en de gezamenlijke bv echter niet mogelijk. De bedrijfsfusiefaciliteit biedt evenmin soelaas. Door de onmiddellijke doorinbreng bij de holdings is geen sprake van een uit organisatorisch oogpunt onafhankelijke exploitatie. Het achtergebleven bedrijfspand kwalificeert niet als tak van bedrijvigheid.
Fout van de adviseur
De broers doen een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Materieel gaat geen belastingclaim verloren. Bovendien heeft hun adviseur verzuimd tijdig een fiscale eenheid aan te vragen. Dat kan hen toch niet worden aangerekend? De rechtbank gaat hier niet in mee. De inspecteur heeft bij de toepassing van het Besluit geruisloze omzetting geen discretionaire bevoegdheid. Het Besluit biedt geen ruimte voor een belangenafweging. De inspecteur toetst alleen of aan de voorwaarden is voldaan. Dat is niet het geval. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Dat de inspecteur de aanslag aan de gezamenlijke bv conform de aangifte heeft opgelegd, kan bij de broers geen vertrouwen wekken.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:2151 | 02-03-2026
Een bv draagt jarenlang Nederlandse btw af voor afstandsverkopen aan Belgische particulieren. Achteraf blijkt dat de omzetdrempel voor afstandsverkopen is overschreden, waardoor de btw in België verschuldigd is. De Belgische Belastingdienst legt naheffingsaanslagen op, die de bv betaalt. De bv dient vervolgens suppletieaangiften in en vraagt de in Nederland afgedragen btw terug. De inspecteur betaalt een bedrag van € 1,4 miljoen terug.
De bv verzoekt vervolgens om vergoeding van invorderingsrente over de terugbetaalde bedragen. De ontvanger wijst dit verzoek af, omdat het niet tijdig is ingediend. De rechtbank verklaart de beroepen van de bv gegrond en kent een rentevergoeding toe. In hoger beroep stelt de ontvanger dat de verantwoordelijkheid voor de juiste btw-afdracht bij de bv zelf ligt. De foutieve toepassing van de regeling voor afstandsverkopen is geheel te wijten aan de bv. Volgens de ontvanger hoeft hij geen invorderingsrente te vergoeden, omdat de belasting niet in strijd met het Unierecht is geheven.
Voor de vraag of belasting in strijd met het Unierecht is geheven, is het arrest 'Dinkelland' relevant, zo oordeelt het hof. Het hof leidt hieruit af dat het wel degelijk van belang is of de ondernemer een verwijt kan worden gemaakt. In deze zaak is niet in geschil dat de aanvankelijk aangegeven en afgedragen btw een vergissing van de bv was en niet te wijten aan de inspecteur. Hoewel 'Dinkelland' over voorbelasting ging, ziet het hof geen reden om een onderscheid te maken. De teruggegeven btw kwalificeert daarom niet als in strijd met het Unierecht geheven belasting. De bv heeft geen recht op vergoeding van invorderingsrente.
Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1129 | 28-04-2026
De bedragen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden halfjaarlijks gewijzigd. Per 1 juli 2026 bedraagt het minimumuurloon voor iemand van 21 jaar of ouder € 14,99.
Minimumjeugdloon
Voor mensen die jonger zijn dan 21 jaar, gelden van het wettelijk minimumuurloon afgeleide bedragen.
| Leeftijd |
Staffeling |
Per uur |
|
21 jaar en ouder
|
100,0%
|
€ 14,99
|
|
20 jaar
|
80,0%
|
€ 11,99
|
|
19 jaar
|
60,0%
|
€ 8,99
|
|
18 jaar
|
50,0%
|
€ 7,50
|
|
17 jaar
|
39,5%
|
€ 5,92
|
|
16 jaar
|
34,5%
|
€ 5,17
|
|
15 jaar
|
30,0%
|
€ 4,50
|
Bbl
Voor werknemers, die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), gelden in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar afwijkende bedragen.
| Leeftijd |
Staffeling |
Per uur |
|
20 jaar
|
61,5%
|
€ 9,22
|
|
19 jaar
|
52,5%
|
€ 7,87
|
|
18 jaar
|
45,5%
|
€ 6,82
|
Referentiemaandloon
Het referentiemaandloon, dat wordt gebruikt voor het vaststellen van de hoogte en de indexatie van diverse uitkeringen, bedraagt per 1 juli 2026 bruto € 2.337,00 per maand.
Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetswijziging | 23-04-2026
Een bestuurder van een transportbedrijf wordt aansprakelijk gesteld voor bijna € 730.000 aan onbetaalde loonheffing en omzetbelasting. Hij stelt dat hij tijdig melding van betalingsonmacht heeft gedaan. De rechtbank oordeelt echter dat dit niet het geval is. Het verzoek om corona-uitstel is ingediend op basis van een onjuiste reden. Daarnaast is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Terwijl de belastingschulden oplopen, ontvangt de bestuurder ruim € 470.000 van groepsvennootschappen zonder dat duidelijk is waarvoor.
Sterke groei, geen belasting betaald
Het transportbedrijf wordt opgericht in augustus 2020 en groeit snel. De omzet stijgt van € 1,5 miljoen in 2020 naar bijna € 9 miljoen in 2023. Tegelijk blijven aanzienlijke bedragen aan loonheffing en omzetbelasting onbetaald. In januari 2022 vraagt het bedrijf corona-uitstel aan vanwege terugvallende opdrachten. De Belastingdienst verleent dit uitstel, maar trekt het later in, omdat onvoldoende uitleg wordt gegeven over de relatie met corona.
Corona-uitstel op verkeerde gronden
De bestuurder stelt dat het verzoek om corona-uitstel geldt als melding van betalingsonmacht. De rechtbank verwerpt dit standpunt. De opgegeven reden blijkt onjuist in het licht van de sterke omzetgroei. Daardoor geldt het verzoek niet als een geldige melding. Een later verzoek om een betalingsregeling van 1 mei 2023 wordt wel als melding gezien, maar dit is alleen tijdig voor de maanden februari en maart 2023.
Geen redelijk handelend bestuurder
Ook voor deze maanden blijft de bestuurder aansprakelijk. De rechtbank oordeelt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bestuurder is op de hoogte van de belastingschulden en ontvangt hierover meerdere overzichten. Toch blijven aangiften uit of worden te laat ingediend en lopen de schulden verder op. Tegelijkertijd wordt € 3,8 miljoen overgeboekt naar gelieerde vennootschappen. Volgens de bestuurder zijn deze betalingen nodig voor de continuïteit van de groep, maar een groot deel van het geld komt uiteindelijk bij hemzelf terecht.
Ruim vier ton zonder verklaring
In drie jaar tijd ontvangt de bestuurder € 723.567 op zijn privérekening vanuit groepsvennootschappen. Hiervan betreft € 253.108 nettoloon. Voor het resterende bedrag van € 470.459 geeft hij geen verklaring. Ook uit bankafschriften blijkt niet waarvoor deze bedragen zijn betaald. De rechtbank acht aannemelijk dat een groot deel van dit bedrag indirect afkomstig is van het transportbedrijf en kwalificeert deze betalingen als onzakelijk.
Niet-bestaande jurisprudentie
Opvallend is dat de rechtbank een deel van het beroepschrift buiten beschouwing laat. Het bevat meerdere foutieve en niet-bestaande verwijzingen naar jurisprudentie. De rechtbank laat de stellingen die daarop zijn gebaseerd buiten beschouwing. Het patroon van niet-bestaande arresten met plausibel klinkende vindplaatsen doet denken aan AI-hallucinaties. De rechtbank zegt het niet met zoveel woorden, maar de boodschap is helder: controleer uw bronnen.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:2673 | 10-03-2026
Tijdens een rechtszaak komt een man met de inspecteur overeen dat zijn werkelijk rendement in box 3 € 855 bedraagt. Enkele maanden later oordeelt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. De inspecteur wil het compromis vervolgens openbreken, maar het hof houdt hem aan de afspraak. Wie een compromis sluit, aanvaardt de kans dat latere jurisprudentie anders uitpakt.
Overeenstemming ter zitting
De aanslag IB/PVV 2018 vermeldt een box 3-inkomen van € 147.253. De inspecteur vermindert dat bedrag later naar € 63.621. De man is het daar niet mee eens en gaat in beroep. Tijdens de zitting bij de rechtbank bereiken zij overeenstemming. Zij stellen het werkelijk rendement vast op € 855. De rechtbank vermindert de aanslag dienovereenkomstig en veroordeelt de inspecteur tot betaling van wettelijke rente.
Inspecteur wil terugkomen op afspraak
De inspecteur gaat in hoger beroep. Hij stelt dat het overeengekomen bedrag van € 855 inclusief aftrek van bankkosten is berekend. Op 6 juni 2024 oordeelt de Hoge Raad echter dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. Volgens de inspecteur moet het werkelijk rendement daarom € 1.738 bedragen in plaats van € 855.
Afspraak blijft gelden
Het hof houdt de inspecteur aan de afspraak. De man en de inspecteur wilden het geschil afronden en onzekerheid voorkomen. Daarmee hebben zij een bindende afspraak gesloten. De inspecteur heeft niet aangevoerd dat deze afspraak nietig of vernietigbaar is. Door akkoord te gaan, heeft hij ook het risico geaccepteerd dat latere rechtspraak anders zou uitpakken.
Geen rentevergoeding
Op één punt krijgt de inspecteur wel gelijk. De rechtbank had bepaald dat hij wettelijke rente moest betalen over de periode tussen betaling en teruggaaf. Het hof vernietigt dit deel van de uitspraak. Volgens de Hoge Raad biedt de vermindering van belasting al voldoende herstel, ook zonder rente. Alleen als de rente hoger is dan de vermindering, geldt een uitzondering. Daarvan is hier geen sprake.
Compromis is compromis
Deze uitspraak bevestigt dat een compromis bindend is, ook als latere rechtspraak een gunstigere uitkomst oplevert. Dat geldt voor beide partijen. Wie zekerheid koopt, aanvaardt de kans dat het achteraf anders had gekund.
Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:805 | 24-03-2026
Een bv ontvangt € 3,5 miljoen dubbel terug na een jarenlange procedure over verliesverrekening. Het systeem van de Belastingdienst 'vergeet' dat de voorlopige teruggaven al eerder waren teruggevorderd. De inspecteur corrigeert de fout via navorderingsaanslagen. De bv stelt dat navordering op een verliesverrekeningsbeschikking niet mogelijk is. De rechter oordeelt anders. Een automatiseringsfout bij verliesverrekening kan worden hersteld via navordering.
Verlies eerst afgewezen, later alsnog geaccepteerd
De bv doet in 2011 aangifte vpb 2010 met een verlies van € 17,3 miljoen. Zij vraagt voorlopige verliesverrekening (carry-back) naar de jaren 2007, 2008 en 2009. De inspecteur verleent voorlopige teruggaven van in totaal € 3,5 miljoen. In 2014 legt de inspecteur de definitieve aanslag 2010 op naar een positief belastbaar bedrag. Hij accepteert het verlies niet en vordert de voorlopige teruggaven terug via die aanslag. De bv gaat in beroep en krijgt na een procedure tot aan de Hoge Raad in 2022 alsnog gelijk.
Systeem genereert dubbele teruggaaf
De inspecteur moet nu alsnog definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen afgeven. Een medewerker voert het verlies in het systeem in. Het systeem maakt automatisch beschikkingen aan, maar houdt geen rekening met het feit dat de voorlopige teruggaven al waren teruggevorderd in 2014. Resultaat: de bv ontvangt opnieuw € 3,5 miljoen. Uit een interne e-mail blijkt dat de medewerker niets kon aanpassen aan de verrekening van de voorlopige teruggaven. Het systeem bevatte die informatie niet meer.
Geen nieuw feit, wel kenbare fout
De inspecteur kan in deze zaak niet navorderen op grond van een nieuw feit. De inspecteur wist immers wat er was gebeurd. Hij wijkt daarom uit naar navordering wegens een kenbare fout. De bv stelt dat een verliesverrekeningsbeschikking geen belastingaanslag is en dat navordering langs die weg niet mogelijk is. De rechtbank verwerpt dit.
Automatiseringsfout, geen beoordelingsfout
De bv stelt verder dat sprake is van een beoordelingsfout die niet via navordering kan worden hersteld. De rechtbank oordeelt anders. De fout is veroorzaakt door de geautomatiseerde verwerking, niet door een onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht. Dat de betrokken medewerkers het probleem onderkenden maar niet handmatig konden ingrijpen, maakt dit niet anders. De fout was bovendien kenbaar voor de bv: zij ontving € 3,5 miljoen dubbel.
Systeemrisico's niet voor rekening samenleving
De rechtbank verwijst naar de parlementaire geschiedenis. Fouten als gevolg van de geautomatiseerde werkwijze behoren niet geheel voor rekening van de Belastingdienst te blijven. Het financiële gewin van een individuele belastingplichtige bij een kenbare fout mag niet worden afgewenteld op de samenleving. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:3214 | 10-03-2026
Een gemachtigde dient hoger beroep in met een twee jaar oude doorlopende volmacht. Het hof vraagt om een recente machtiging. De gemachtigde weigert dit en wordt vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter altijd om een recente machtiging mag vragen. Hij hoeft daarvoor geen aanwijzingen te hebben dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee terug van een arrest uit 2013.
Doorlopende volmacht uit 2022
Een no-cure-no-pay-bureau dient hoger beroep in tegen een WOZ-beschikking voor 2022. Bij het hogerberoepschrift overlegt het bureau een machtiging van 28 februari 2022. Die machtiging is in algemene termen geformuleerd. De belanghebbende machtigt medewerkers van het bureau om hem te vertegenwoordigen in ‘alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(en)’. Het hof twijfelt of het bureau bevoegd is om de belanghebbende te vertegenwoordigen. Die twijfel baseert het hof op het tijdsverloop sinds de machtiging en op het algemene karakter ervan.
Verkeerde machtiging overgelegd
Het hof vraagt om een recente machtiging. Het bureau krijgt daartoe tweemaal de gelegenheid. Uiteindelijk stuurt het een machtiging van 18 maart 2024. Die is weliswaar recent, maar ziet op de WOZ-beschikking 2024, terwijl het geschil de WOZ-beschikking 2022 betreft. Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het bureau gaat in cassatie.
Hoge Raad komt terug van eerder arrest
De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter eisen mag stellen aan de machtiging. Hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag ook vragen om een machtiging die dateert van ná de bestreden uitspraak of die specifiek ziet op de procedure bij zijn gerecht. Daarvoor is niet vereist dat de rechter aanwijzingen heeft dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee uitdrukkelijk terug van zijn arrest uit 2013.
Voorzichtigheid bij procesrechtelijke volmacht
De Hoge Raad motiveert zijn koerswijziging als volgt. De bepalingen over volmacht uit het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn buiten het vermogensrecht slechts van overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Uit de parlementaire toelichting blijkt dat men met overeenkomstige toepassing op procesrechtelijke rechtshandelingen "uitermate voorzichtig" moet zijn. Dat rechtvaardigt dat de rechter strengere eisen stelt dan het BW voorschrijft.
Ook in bezwaar en cassatie
De Hoge Raad benadrukt dat deze regels gelden in bezwaar, beroep, hoger beroep én cassatie. Wie als gemachtigde optreedt, doet er goed aan te zorgen voor een actuele en specifieke machtiging. Een doorlopende volmacht van jaren geleden volstaat niet zonder meer.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:556 | 16-04-2026
Een ambtenaar koopt jarenlang privégoederen op kosten van zijn werkgever. Hij schakelt daarbij een kantoorinrichtingsbedrijf in als doorgeefluik. Dat bedrijf betaalt de leveranciers, factureert door aan de gemeente met een opslag en trekt de btw op de inkoopfacturen af. De inspecteur weigert de aftrek en heft de aan de gemeente gefactureerde btw na. Hof 's-Hertogenbosch geeft de inspecteur gelijk. Het bedrijf is geen afnemer van de leveranciers en kan de ten onrechte gefactureerde btw niet herzien.
Ruim acht ton aan privé aankopen
De ambtenaar is hoofd interne diensten bij een gemeente. In die functie kan hij inkoopopdrachten verstrekken en facturen betaalbaar stellen. Hij maakt daar op grote schaal misbruik van. Hij bestelt privégoederen bij leveranciers en laat de facturen richten aan een kantoorinrichtingsbedrijf dat vaste leverancier is van de gemeente. Vervolgens vraagt hij dat bedrijf de facturen te betalen, een nieuwe factuur op te maken met een opslag van ongeveer 10% en die aan de gemeente te sturen. Hij verstrekt daarvoor opdrachtbevestigingen met vage omschrijvingen als ‘gedane werkzaamheden’ of ‘geleverde materialen’. Over de jaren 2013 tot en met 2016 gaat het om ruim € 862.000.
Geen afnemer, geen aftrek
Het hof oordeelt dat het bedrijf geen afnemer is van de leveranciers. De ambtenaar heeft zelf contact gelegd met de leveranciers en de overeenkomsten gesloten. Het bedrijf was slechts betrokken bij de administratieve en financiële afhandeling. Dat maakt het bedrijf geen commissionair. De tussenkomst ziet immers niet op de totstandkoming van de prestaties, maar op de afwikkeling van prestaties die al tot stand waren gekomen. Het bedrijf heeft daarom geen recht op aftrek van de btw die de leveranciers in rekening hebben gebracht.
Geen herziening wegens ongerechtvaardigde verrijking
Het bedrijf heeft de gemeente btw in rekening gebracht terwijl het zelf geen prestaties heeft verricht. Die btw moet zij op grond van de wet afdragen. Het hof wijst het verzoekt om herziening van die btw af. Het bedrijf heeft de facturen niet gecorrigeerd. Als de btw zou worden herzien, zou het bedrijf die btw als opbrengst verkrijgen, terwijl het aan de gemeente kenbaar had gemaakt dat de btw op aangifte zou worden voldaan. Dat levert ongerechtvaardigde verrijking op.
Suggestie van het hof
Het resultaat is een zware financiële last voor het bedrijf: geen aftrek van voorbelasting en tegelijk afdracht van de aan de gemeente gefactureerde btw. Bovendien eist de gemeente een schadevergoeding in een civiele procedure. Het hof geeft de inspecteur in overweging een eventuele schadevergoeding aan de gemeente in mindering te brengen op de naheffingsaanslag. Voor dat bedrag is dan immers geen sprake meer van ongerechtvaardigde verrijking. Tot een compromis is het echter niet gekomen.
Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:741 | 17-03-2026
Een dga stelt dat zijn bv structureel verlies lijdt en dat daarom geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te worden genomen. Hof Amsterdam gelooft hem niet. De aangiften vennootschapsbelasting (vpb) tonen jarenlang kosten die nagenoeg exact gelijk zijn aan de omzet. Dat is zonder nadere toelichting onwaarschijnlijk. Bovendien ontbreken banksaldi en eigen vermogen op de balansen, terwijl de bv wel een bankrekening heeft.
Geen aangifte loonheffingen
De bv verhuurt onroerend goed. De dga is enig aandeelhouder en bestuurder. Hij verricht werkzaamheden voor de bv, waaronder het aangaan van huur- en koopovereenkomsten. De bv heeft zich niet aangemeld als inhoudingsplichtige en heeft geen aangiften loonheffingen ingediend. De dga ontvangt wel loon via een payrollbedrijf, maar die loonkosten zijn niet doorberekend aan de bv. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op van € 13.210, gebaseerd op een gebruikelijk loon van € 28.125 over 2017 en 2018 gezamenlijk. Daarbij past de inspecteur een deeltijdfactor van 50% toe.
Beroep op structureel verlies
De bv stelt dat zij in de betreffende jaren geen winst heeft behaald en dat op die grond geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te worden genomen. De omzet schommelt volgens de bv al jaren rond de € 17.000. De inspecteur betwist dit. Uit de aangiften vennootschapsbelasting over 2019 tot en met 2024 blijkt dat de omzet beduidend hoger is: tussen de € 25.000 en € 66.000 per jaar.
Onwaarschijnlijke kostenpatronen
Het hof oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een langdurige verliessituatie. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2019 tot en met 2024 zijn de kosten telkens nagenoeg gelijk aan de omzet. Dat is zonder adequate toelichting van de bv op z’n minst genomen onwaarschijnlijk. Bovendien bevatten de balansen geen banksaldi, terwijl vaststaat dat de bv wel een bankrekening heeft. Ook ontbreekt een eigen vermogen op de balansen. De bv heeft voor deze constateringen geen adequate verklaring gegeven.
Inspecteur vpb nam gebruikelijk loon als kosten
De inspecteur loonheffingen heeft telefonisch contact gehad met de inspecteur vpb. Die verklaarde dat bij de aanslagen vpb over 2019, 2020 en 2021 de door de bv opgevoerde kosten afdoende onderbouwing missen. De inspecteur heeft daarom in elk van die jaren een gebruikelijk loon als kosten in aanmerking genomen. Daarvan uitgaande is een structureel verlies voor die jaren niet aannemelijk geworden.
Onderbouw de verliessituatie
Deze uitspraak laat zien dat een beroep op een structurele verliessituatie om het gebruikelijk loon te verlagen een goede onderbouwing vereist. Aangiften waarin de kosten telkens exact gelijk zijn aan de omzet roepen vragen op. Incomplete balansen versterken het wantrouwen.
Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2025:3817 | 20-10-2025
Een vrouw ontvangt een AOW-uitkering van slechts € 328 per jaar. Daarnaast ontvangt zij ruim € 26.000 aan Duits pensioen. Door die minimale AOW is zij in Nederland verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zvw-heffing wordt berekend over haar volledige inkomen, inclusief het Duitse pensioen. Zij vraagt de SVB om de AOW met terugwerkende kracht stop te zetten, maar dient haar bezwaar te laat in. De belastingrechter kan haar niet helpen.
Geen ontheffing Zvw
De vrouw woont in Nederland en ontvangt pensioen uit Duitsland. In 2007 verleent de SVB haar ontheffing van de verplichte verzekering voor de AOW, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet. Die ontheffing geldt echter niet voor de AWBZ en evenmin voor de Zvw. Zij ontvangt een kleine AOW-uitkering van € 328 per jaar. Die uitkering maakt haar verzekeringsplichtig voor de Zvw. De inspecteur legt een aanslag Zvw op over een bijdrage-inkomen van € 26.258, het totaal van haar Duitse pensioenuitkeringen.
Bezwaar bij SVB te laat
De vrouw vraagt de SVB om de AOW-uitkering te beëindigen. De SVB stopt de uitkering per 1 december 2023, maar weigert terugwerkende kracht tot 2019. De vrouw maakt bezwaar tegen die weigering, maar dient het bezwaar te laat in. De rechtbank verklaart haar beroep ongegrond. Vervolgens wendt zij zich tot de belastingrechter met het verzoek om de SVB op te dragen de uitkering alsnog met terugwerkende kracht stop te zetten.
Inspecteur gaf tijdig advies
De vrouw stelt ook dat de inspecteur haar had moeten wijzen op de mogelijkheid om bij de SVB ontheffing te vragen. Het hof verwerpt dit. De inspecteur heeft haar gemachtigde al op 23 oktober 2023 per e-mail geadviseerd om de SVB te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten en te vragen of de ontvangen AOW-uitkering terugbetaald kan worden. Dat was ruim vóór de aanslag van 28 november 2023. Van een tekortkoming in de voorlichtende taak is dan ook geen sprake.
Belastingrechter niet bevoegd
Het hof oordeelt dat de aanslag Zvw rechtmatig is. De vrouw is verzekerd, dus is zij de bijdrage verschuldigd. Het hof is als belastingrechter niet bevoegd om de SVB op te dragen de verzekeringsplicht met terugwerkende kracht stop te zetten. Tegen beslissingen van de SVB staan rechtsmiddelen open bij de algemene bestuursrechter. De vrouw heeft die route bewandeld, maar haar bezwaar was te laat.
Termijnen zijn streng
Deze uitspraak illustreert hoe een kleine AOW-uitkering grote fiscale gevolgen kan hebben. Door de verzekeringsplicht die voortvloeit uit die uitkering wordt het volledige buitenlandse pensioen in de Zvw-heffing betrokken. Wie dat wil voorkomen, moet tijdig actie ondernemen bij de SVB. Een te laat ingediend bezwaar sluit de deur naar een inhoudelijke beoordeling.
Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:740 | 17-03-2026
Een krantenbezorger rijdt jaarlijks ruim 20.000 kilometer met zijn eigen auto, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. In zijn aangifte brengt hij 40 cent per kilometer in aftrek. De inspecteur staat slechts 19 cent toe. De bezorger distribueert kranten naar depots en bezorgt kranten aan huis. In 2018 rijdt hij hiervoor 20.916 kilometer met zijn privéauto. Hij ontvangt geen kilometervergoeding. In zijn aangifte brengt hij € 8.367 aan autokosten in aftrek, gebaseerd op 40 cent per kilometer volgens de ANWB-tool. Dat bedrag is volgens hem eigenlijk nog te laag, omdat krantenbezorging door het vele starten en stoppen tot extra slijtage leidt.
Wet maximeert aftrek
De bezorger beroept zich op het Convenant Uitgeefsector, waarin staat dat de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking moeten worden genomen. Het hof gaat hier niet in mee. Die bepaling geldt voor opdrachtgevers, niet voor opdrachtnemers. Voor de inkomstenbelasting maximeert de wet de aftrek, voor een tot het privévermogen behorend vervoermiddel, op 19 cent per kilometer. Het doet er niet toe dat de werkelijke kosten hoger zijn. De aftrek blijft beperkt tot € 3.974.
Expliciet voorbehoud voorkomt vertrouwen
De bezorger beroept zich ook op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft in een eerdere procedure over 2017 zijn aangifte gevolgd. Het hof gaat hier evenmin in mee. De inspecteur heeft destijds expliciet verklaard: ‘Voor dit jaar wil ik de kosten accepteren. Omdat het doorspeelt naar volgende jaren, kunnen er geen rechten aan deze toezegging worden ontleend’. Aan die uitlating kan de bezorger geen vertrouwen ontlenen voor latere jaren.
Twee lessen
Deze uitspraak illustreert twee punten. Ten eerste past de rechter de wettelijke maximering van de kilometervergoeding strikt toe, ongeacht de werkelijke kosten. Ten tweede voorkomt een expliciet voorbehoud bij een toezegging dat de belastingplichtige daaraan vertrouwen kan ontlenen voor latere jaren.
Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:879 | 31-03-2026
Een zoon woont jarenlang samen met zijn moeder en verleent haar mantelzorg. De vader is in 1995 overleden. In zijn testament heeft hij zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd. De twee zonen doen echter een beroep op hun legitieme portie, die samen 4/9e deel van vaders nalatenschap bedraagt. Tot die nalatenschap behoort onder meer vaders aandeel in de echtelijke woning. De woning blijft ook na zijn overlijden op zijn naam staan. In 2019 overlijdt moeder.
Goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering
De Hoge Raad oordeelt dat een beroep op de legitieme portie onder het oude erfrecht leidt tot een goederenrechtelijke aanspraak op de goederen van de nalatenschap. Dat erfrecht gold tot 1 januari 2003. Door het inroepen van hun legitieme portie zijn de zonen deelgenoten geworden in vaders nalatenschap. Zij hebben daarmee geen vordering op moeder gekregen. Een dergelijke vordering had wel kunnen ontstaan bij een latere verdeling, maar die verdeling heeft nooit plaatsgevonden. Zonder vordering is er dan ook geen rente te berekenen.
Aanspraak niet uitgewerkt
Het hof oordeelt dat de goederenrechtelijke aanspraak van de zonen ten tijde van moeders overlijden is uitgewerkt op grond van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad corrigeert dit. Die wet vereist slechts dat de legitimaris binnen de gestelde termijn verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Hij hoeft binnen die termijn niet ook daadwerkelijk verdeling te vorderen. De aanspraak van de zonen is dus niet uitgewerkt. Bij de vaststelling van moeders nalatenschap moet dan ook rekening worden gehouden met die aanspraak, door 4/9e van vaders deel van de woning in mindering te brengen.
Geen partnervrijstelling voor kind
De zoon beroept zich ook op de partnervrijstelling. Hij heeft jarenlang samengewoond met zijn moeder en haar mantelzorg verleend. Onder de destijds geldende wet bestaat weliswaar een verzachting voor mantelzorgers, maar die geldt niet voor bloedverwanten in de rechte lijn. De zoon heeft geen recht op de partnervrijstelling.
Oud erfrecht werkt nog door
Dit arrest is relevant voor nalatenschappen die vóór 2003 zijn opengevallen en nog niet volledig zijn afgewikkeld. Onder het oude erfrecht geeft een beroep op de legitieme portie een goederenrechtelijke aanspraak, geen vordering. Die aanspraak kan nog steeds geldend worden gemaakt, ook nu het nieuwe erfrecht al meer dan twintig jaar van kracht is.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:669 | 16-04-2026
Een bv heeft over de jaren 2019 tot en met 2021 geen aangiften vpb gedaan. De bv stelt dat dit komt doordat aangifte alleen mogelijk is met eHerkenning. De hiervoor verschuldigde kosten kan zij niet betalen. De inspecteur legt hierop ambtshalve nihilaanslagen vpb op voor deze jaren en een verzuimboete van € 2.757 voor het jaar 2021.
Kosten eHerkenning niet onevenredig
Kosten van eHerkenning zijn niet van een zodanige omvang dat zij onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de staatssecretaris van Financiën met de invoering van eHerkenning nastreeft. Zolang de bv bestaat moet zij jaarlijks, met gebruik van eHerkenning, aangifte vpb doen. De bv heeft bovendien niets aangevoerd over geleden verliezen in de betreffende jaren. De beroepen tegen de nihilaanslagen zijn daarom ongegrond.
Verzuimboete verminderd
De bv erkent dat zij de aangiften vpb over de jaren 2019 tot en met 2021 niet (tijdig) heeft gedaan. Het opleggen van een verzuimboete voor het jaar 2021 is dan ook terecht gebeurd. De rechtbank vermindert de verzuimboete wel in verband met de financiële omstandigheden van de bv. De boete wordt daarom eerst verminderd tot € 500.
Overschrijding redelijke termijn
De boete wordt verder verminderd in verband met 'undue delay', oftewel de overschrijding van de redelijke termijn. Sinds de aankondiging van de boete zijn ruim 42 maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaar is daarmee met 18 maanden overschreden. De boete wordt gematigd met 15% tot € 425.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2478 | 01-04-2026
Een vrouw moet haar huurtoeslag over 2021 terugbetalen, omdat haar box 3-vermogen te hoog is. Om haar vermogen te verlagen, probeert zij vooruitbetaalde zorgpremies als schuld op te voeren.
Aangifte en huurtoeslag
Voor het jaar 2021 doet de vrouw aangifte met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, gebaseerd op bezittingen van € 36.342 en geen aftrekbare schulden. De definitieve aanslag wordt conform deze aangifte opgelegd. Later ontvangt zij de definitieve berekening van haar huurtoeslag over 2021, die op € 0 wordt vastgesteld, omdat haar vermogen te hoog is. Voor alleenstaanden geldt in 2021 een vermogensgrens van € 31.340 voor de huurtoeslag.
Verzoek om schuldenaftrek
De vrouw dient een bezwaar in. Zij wil een DUO-schuld van € 4.671 en een creditcardschuld van € 1.952 in aanmerking nemen. Later voegt zij hieraan een schuld van € 1.805 toe voor de vooruitbetaalde zorgverzekeringspremies voor 2021. De vrouw heeft in 2020 toegezegd de premie voor 2021 ineens te betalen. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, behandelt het als verzoek om ambtshalve vermindering en neemt de DUO- en creditcardschuld mee (na toepassing van de schuldendrempel), maar de zorgpremies niet. De rendementsgrondslag wordt vastgesteld op € 32.909. Nog steeds boven de vermogensgrens voor de huurtoeslag.
Geen schuld
De rechtbank oordeelt dat voor een box 3-schuld is vereist dat deze op de peildatum (1 januari 2021) bestaat en een waarde in het economische verkeer heeft. Op 1 januari 2021 bestaat er, ondanks de toezegging, nog geen verplichting tot betaling van de zorgpremies. Bovendien vormt de zorgverzekering een samenhangend geheel van rechten en verplichtingen (premie versus dekking). Zolang het recht op dekking en de verplichting tot betaling beide bestaan, vertegenwoordigt dit per saldo geen waarde in het economische verkeer. De vooruitbetaalde zorgpremie is daarom geen aftrekbare schuld in box 3. De rechtbank ziet geen aanleiding om de wettelijke box 3-regels, inclusief de schuldendrempel, buiten beschouwing te laten vanwege de invloed op toeslagen.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 | 22-03-2026
Via het toeslagenstelsel wordt jaarlijks ruim € 20 miljard uitgekeerd aan circa 10 miljoen mensen in Nederland. Het stelsel is complex. De gevolgen van veranderingen in de leefsituatie op het recht op toeslagen zijn niet altijd te overzien. Enkele van de meest prangende knelpunten in het huidige toeslagstelsel doen zich voor binnen het partnerbegrip voor de toeslagen (toeslagpartnerbegrip). De staatssecretaris van Financiën stelt voor om per 1 januari 2027 het toeslagpartnerbegrip te vereenvoudigen.
Criterium samengestelde gezinnen vervalt
Het criterium dat twee meerderjarigen op hetzelfde adres met een minderjarig kind van een van hen als toeslagpartner aanmerkt, komt te vervallen. Dit leidde vaak tot ongewenste partnerschappen, bijvoorbeeld bij mantelzorgers of woningdelers. Naar schatting 10.000 burgers worden hierdoor niet langer onbedoeld als toeslagpartner aangemerkt. Zij ontvangen in de nieuwe situatie dezelfde toeslagen als alleenstaanden, wat duizenden euro's per jaar kan schelen. Dit vereenvoudigt het toeslagpartnerbegrip voor burgers en de Dienst Toeslagen.
Toeslagpartnerschap in voorafgaand jaar en rest van het jaar geschrapt
Het criterium, dat mensen als toeslagpartner aanmerkt omdat zij in een kalenderjaar elkaars toeslagpartner waren en in het daaropvolgende jaar op hetzelfde adres wonen, wordt geschrapt. Ook het criterium dat mensen, die een deel van het jaar toeslagpartner zijn, voor de rest van dat jaar als partner worden aangemerkt, komt te vervallen.
Uitzondering voor ontheemden uit Oekraïne vervalt
De uitzondering, die ontheemden uit Oekraïne niet als medebewoner voor de huurtoeslag aanmerkt, komt te vervallen. Vanaf 1 januari 2027 tellen hun inkomen en vermogen mee bij de berekening van de huurtoeslag van het gasthuishouden. Dit normaliseert hun juridische positie en sluit aan bij het streven dat zij naar vermogen meedoen en meebetalen.
Minderjarigen geen toeslagpartner
Voortaan ontstaat geen toeslagpartnerschap wanneer ten minste één van de partners minderjarig is. Dit voorkomt financiële problemen voor minderjarige ouders die anders de alleenstaande ouderkop in het kindgebonden budget zouden mislopen. Zodra de jongere partner meerderjarig wordt en zij nog samenwonen, ontstaat alsnog een toeslagpartnerschap.
Verlaging vermogensgrenzen zorgtoeslag en kindgebonden budget
Ter dekking van de kosten van de vereenvoudigingsmaatregelen worden de vermogensgrenzen voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget verlaagd. Per 1 januari 2027 dalen deze grenzen met bijna € 30.000. Deze verlaging raakt ongeveer 50.000 huishoudens die hierdoor hun recht op één of beide toeslagen verliezen.
Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 15-04-2026
Het kabinet heeft een aantal maatregelen aangekondigd in verband met gestegen energiekosten. Anders dan door velen gevraagd, komt er geen verlaging van de accijnzen op brandstoffen.
Reiskostenvergoeding
In plaats daarvan wil het kabinet de maximale onbelaste reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht tot 1 januari verhogen van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Wil deze maatregel effect hebben, dan heeft het kabinet de medewerking van werkgevers nodig. De verhoging van de onbelaste vergoeding zou een prijsstijging van circa 30 cent per liter brandstof moeten compenseren.
Maatregelen voor bedrijven
Per 1 juli wordt de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van ondernemers voor een half jaar gehalveerd. Voor vrachtauto’s gaat in die periode een nihiltarief gelden.
De garantieregeling ondernemersfinanciering (GO) wordt met vijf jaar verlengd, terwijl het borgstellingsdeel van het Borgstellingskrediet MKB (BMKB) voor de duur van een jaar wordt verhoogd.
Voor de visserijsector komt in het derde kwartaal een energie-efficiëntieregeling. Het kabinet maakt hiervoor € 25 miljoen vrij op de begroting van het ministerie van LVVN.
Er wordt versneld geld uit het Klimaat- en Energiefonds overgeheveld om het MKB te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen. De Energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%.
Energiebesparing
Om de verduurzaming van woningen te versnellen maakt het kabinet geld vrij voor het Warmtefonds en voor het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Ook wordt er in 2027 geld vrijgemaakt voor de Subsidieregeling verduurzaming verenigingen van eigenaars (SVVE). Via het Nationaal Warmtefonds kunnen woningeigenaren een lening krijgen om hun woning te verduurzamen, ongeacht de hoogte van hun inkomen.
Noodfonds energie
Er komt een noodfonds energie voor mensen met een laag inkomen en een hoge energierekening. De hoogte van de steun wordt gekoppeld aan de hoogte van de energieprijzen.
Inruilregeling
In het vierde kwartaal van 2026 komt er een inruilregeling voor oude fossiele brandstofauto’s. Deze regeling is een subsidie op de aanschaf van een gebruikte elektrische auto. De ingeruilde auto wordt vervolgens gesloopt. Deze regeling is bedoeld voor lagere inkomens.
Dalurenkaart openbaar vervoer
Tijdens de behandeling van de plannen in de Tweede Kamer heeft het kabinet het voorstel overgenomen om voor de zomermaanden een dalurenkaart voor het openbaar vervoer toe te voegen. Daarmee is het mogelijk om tegen een vast tarief per maand onbeperkt te reizen buiten de spitsuren.
Bekostiging
Deze maatregelen worden bekostigd door de afschaffing van de startersaftrek voor beginnende ondernemers en door versobering van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Verder wordt de accijns op alcoholhoudende dranken voortaan jaarlijks geïndexeerd. De maatregelen voor energiebesparing en de inruilregeling voor fossiele brandstofauto’s worden gefinancierd uit het Klimaat- en Energiefonds.
Bron: Ministerie van Economische Zaken | publicatie | 19-04-2026
Een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking bouwt een nieuw complex met productieruimten. In die ruimten maken cliënten goederen voor de verkoop, zoals vogelhuisjes, tassen en bakkerijproducten. Ook verrichten zij diensten aan derden, zoals verpakkingswerk. De instelling wil de btw op de bouwkosten volledig aftrekken.
Inspecteur: gemengd gebruik
De inspecteur gaat niet mee in volledige aftrek. De productieruimten worden niet alleen gebruikt voor belaste verkoop, maar ook voor de dagbesteding van cliënten. Die dagbesteding is een vrijgestelde prestatie waarvoor de instelling een vergoeding ontvangt uit publieke middelen. Er is dus sprake van gemengd gebruik. De inspecteur staat daarom slechts 4% btw-aftrek toe, berekend naar de verhouding tussen belaste en vrijgestelde omzet.
Rechtbank: inspecteur heeft wettelijk gelijk
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur wettelijk gezien gelijk heeft. Echter, in 2007 heeft de instelling de Belastingdienst gevraagd om bevestiging van haar werkwijze. Zij stuurde daarbij een overzicht mee van al haar locaties met de gehanteerde aftrekpercentages. Voor de productielocaties hanteerde zij 100% aftrek. In 2009 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek uitgevoerd. In het controlerapport staat: "Op basis van bovengenoemde specificaties en de gepresenteerde cijfers wordt toegestaan dat de toegepaste percentages bij ongewijzigde omstandigheden tot nadere afspraak worden gehanteerd."
Afspraak geldt ook voor nieuw complex
De rechtbank honoreert het beroep op het vertrouwensbeginsel. Relevant voor dit oordeel is dat de activiteiten sinds 2009 niet zijn veranderd. Het enige verschil is dat de productielocaties nu worden samengevoegd in één nieuw complex. De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat de afspraak uit het boekenonderzoek niet geldt voor nieuwe gebouwen. Als de inspecteur had willen voorkomen dat de afspraak zou gelden voor nieuwe investeringen, had hij een duidelijk voorbehoud moeten maken. Dat heeft hij niet gedaan en daarnaast is de afspraak nooit opgezegd. De instelling mag de btw op de bouwkosten van de productieruimten daarom volledig aftrekken.
Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:2380 | 24-03-2026
Een consulente sluit in 2011 een overeenkomst met een relatiebureau voor bemiddelingsdiensten, waarvoor zij een provisie ontvangt. Zij geeft haar inkomsten, variërend van € 11.705 (2016) tot € 17.023 (2019), aan als winst uit onderneming. Na een boekenonderzoek concludeert de inspecteur dat de inkomsten als loon uit (fictieve) dienstbetrekking moeten worden gekwalificeerd.
Winst uit onderneming?
Het hof oordeelt dat de consulente onvoldoende zelfstandigheid en ondernemersrisico bezit. De consulente is verplicht de formulieren en betalingsafspraken van het bureau te gebruiken. Bij afwezigheid moet zij vervanging regelen via een andere consulent van het bureau. Verder is er geen bewijs van onderhandeling over de provisie. Bovendien heeft de consulente slechts één opdrachtgever, een overeenkomst voor onbepaalde tijd en geen aantoonbaar debiteuren- of investeringsrisico. Ook treedt zij niet naar buiten als ondernemer. De inkomsten kwalificeren daarom niet als winst uit onderneming.
Fictieve dienstbetrekking
Het hof concludeert dat er sprake is van een fictieve dienstbetrekking. De consulente verleent tegen beloning structureel bemiddeling om overeenkomsten tussen cliënten en het relatiebureau tot stand te brengen. De consulente werkt exclusief voor het bureau, wordt niet bijgestaan door anderen en haar inkomsten (provisie) zijn direct gekoppeld aan haar bemiddelingsactiviteiten. De navorderingsaanslagen zijn terecht.
Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:353 | 19-01-2026
Een fiscale eenheid groeit in de loop der jaren flink. Na uitbreiding met een winstgevende vennootschap wil de moedermaatschappij oude verliezen verrekenen. De Belastingdienst weigert dat. Volgens de inspecteur moet je eerst kijken naar het resultaat van de oorspronkelijke groep vennootschappen. Die groep maakt als geheel verlies, dus is er geen ruimte voor verliesverrekening. De rechter is het daar niet mee eens.
Van verlies naar winst
De moedermaatschappij vormt sinds 2015 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Die fiscale eenheid wordt in de loop der jaren meermalen uitgebreid. In 2016 komt er een andere bestaande fiscale eenheid bij. In 2017 lijdt de gecombineerde groep een fors verlies van ruim € 550 miljoen. In 2019 voegt de moedermaatschappij opnieuw vennootschappen toe aan de fiscale eenheid. Een van de vennootschappen blijkt bijzonder winstgevend. In 2020 maakt de hele fiscale eenheid een winst van € 202 miljoen. Die winst komt vrijwel volledig van de in 2019 toegevoegde vennootschap.
Oude verliezen verrekenen
De moedermaatschappij wil het verlies uit 2017 verrekenen met de winst van 2020. Dat kan alleen met winst die toerekenbaar is aan de vennootschappen die in 2017 al tot de fiscale eenheid behoorden. De moedermaatschappij maakt zelf in 2020 echter verlies. De andere vennootschappen uit 2017 maken samen wel winst. De moedermaatschappij brengt haar eigen verlies in mindering op de winst van de in 2019 gevoegde vennootschap. Zo blijft de winst van de andere vennootschappen uit 2017 beschikbaar voor verrekening met het verlies uit 2017. De inspecteur accepteert deze werkwijze niet.
Inspecteur hanteert clusterbenadering
De inspecteur past de zogenoemde clusterbenadering toe. Die benadering houdt in dat je alle vennootschappen die in 2017 tot de fiscale eenheid behoorden, als één geheel beziet. Dat cluster maakt in 2020 per saldo verlies. Er is dus geen winst beschikbaar om het verlies uit 2017 mee te verrekenen. De inspecteur baseert zich op een beleidsbesluit uit 2024. De moedermaatschappij gaat in beroep.
Rechtbank: geen dwingend voorschrift
De rechtbank volgt de inspecteur niet. Het Besluit Fiscale Eenheid schrijft de clusterbenadering niet dwingend voor. Het woord 'ook' laat ruimte voor een andere benadering. De toelichting beperkt de clusterbenadering tot de vraag of sprake is van voorvoegingsverliezen. Zij strekt zich niet uit tot de bepaling van de voor verrekening vatbare winst in het jaar van verrekening. Een voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis ondersteunt die uitleg.
Doel horizontale verliesverrekening
Het doel van horizontale verliesverrekening is te voorkomen dat meer verlies wordt verrekend dan de winst die bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt. De benadering van de moedermaatschappij voldoet aan die eis. Zij verrekent niet meer dan de winst van de fiscale eenheid. Van ongeoorloofde kruislingse verliesverrekening is geen sprake. Het beleidsbesluit uit 2024 dateert van na het belastingjaar 2020 en kan de inspecteur niet helpen.
Forse verlaging belastbaar bedrag
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het belastbaar bedrag daalt van € 197 miljoen naar € 59,5 miljoen. De verliesverrekeningsbeschikking wordt vastgesteld op € 142 miljoen in plaats van € 4,5 miljoen. De inspecteur kan nog in hoger beroep.
Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:3196 | 24-03-2026
Een autohandelaar koopt honderden gebruikte auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureren de auto's als marge-auto's. De autohandelaar past daarom de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De inspecteur stelt dat de auto's helemaal geen marge-auto's zijn en legt een naheffingsaanslag op van € 3,5 miljoen.
Hoe werkt de margeregeling?
De margeregeling is een bijzondere btw-regeling voor handelaren in gebruikte goederen. Normaal gesproken berekent een ondernemer btw over de volledige verkoopprijs. Bij de margeregeling berekent hij alleen btw over zijn winstmarge: het verschil tussen in- en verkoopprijs. Dat scheelt flink. Die regeling mag echter alleen worden toegepast als de auto afkomstig is van iemand die zelf geen btw kan aftrekken. Denk aan een particulier of een vrijgestelde ondernemer. Als de auto afkomstig is van een btw-ondernemer, die wel recht heeft op aftrek, is de margeregeling niet van toepassing. Dan moet btw worden berekend over de volledige verkoopprijs.
Transformeren naar marge-auto
In de autobranche worden auto's soms ten onrechte als marge-auto gefactureerd, terwijl ze dat eigenlijk niet zijn. Dat heet in de branche transformeren. Een Duitse leasemaatschappij verkoopt een auto met btw aan een tussenhandelaar. Die tussenhandelaar factureert de auto vervolgens door als marge-auto, zonder btw. De koper past de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De btw over de inkoopprijs verdwijnt zo uit het zicht. De autohandelaar in deze zaak kocht tussen 2020 en 2023 honderden auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureerden vrijwel alle auto's als marge-auto's.
Twee situaties, twee uitkomsten
Bij 134 auto's beschikte de autohandelaar over de Duitse kentekenpapieren en verzorgde hij zelf de bpm-aangifte. Bij 227 andere auto's had hij die papieren niet. De rechtbank oordeelt dat dit onderscheid beslissend is. Bij de eerste groep kon de autohandelaar op de Duitse papieren zien dat de auto's eerder in handen waren van Duitse rechtspersonen. Dat had hem moeten alarmeren. Rechtspersonen zijn vaak btw-ondernemers die recht op aftrek hebben. In combinatie met zijn jarenlange ervaring in de branche had hij nader onderzoek moeten doen. Dat heeft hij niet gedaan. De naheffing voor deze 134 auto's blijft in stand.
Zonder papieren geen onderzoeksplicht
Voor de andere 227 auto's oordeelt de rechtbank anders. De autohandelaar had bij deze auto's alleen de facturen van zijn leverancier. Hij beschikte niet over de Duitse papieren. De rechtbank vindt de overige omstandigheden onvoldoende om voor al deze auto's een onderzoeksplicht aan te nemen. De autohandelaar mocht afgaan op de facturen van zijn leveranciers. Hij wordt voor deze auto's gevrijwaard van naheffing.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:1847 | 15-03-2026
Onze administratieve en fiscale diensten
Boekhouding verzorgen
Als administratiekantoor is adequaat boekhouden voor ons dagelijkse materie. Het voeren van een overzichtelijke administratie is niet alleen verplichte kost, u krijgt er ook actueel inzicht in het reilen en zeilen van uw bedrijf door.
Lees verder
Belastingaangiftes
Het doen van belastingaangiftes hoort er nu eenmaal bij. U kunt bij ons terecht voor bijvoorbeeld uw aangiftes omzetbelasting, vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting en dividendbelasting.
Lees verder
Fiscaal advies
Bent u op de hoogte van alle fiscale mogelijkheden rond aftrekposten, toeslagen of bijvoorbeeld compensabele verliesposten? Vaak valt er het nodige fiscaal te optimaliseren zodat u niet teveel betaalt en tegelijkertijd uw werkkapitaal optimaal benut.
Lees verder
Laatste nieuws
Wetsvoorstel Wet Fiscale stimulering start-ups en scale-ups
Start-ups en scale-ups hebben vaak niet de financiële middelen om werknemers een concurrerend salaris te bieden. Aandelenopties kunnen hiervoor e...
Lees verder
Overige voorstellen
Minder regels
‘Meer ruimte voor mensen en bedrijven, en een overheid die niet hindert, maar helpt.’ Het kabinet beseft dat dit geen origi...
Lees verder
Wijzigingen Milieubelastingen
Verhoging tarief belasting op leidingwater
Met de belasting op leidingwater wordt er belasting geheven over de levering van leidingwater, al dan niet...
Lees verder